ECLI:NL:GHSGR:2004:AR3830
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Verbeek
- Duindam
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep benoeming bewindvoerder en mentor in belang van rechthebbende
In deze zaak stond de benoeming van een bewindvoerder en mentor voor een persoon die vanwege haar geestelijke gesteldheid haar vermogensrechtelijke belangen niet zelf kan behartigen centraal. De kantonrechter had eerder de Stichting Herman Frantsenhuizen tot bewindvoerder benoemd en een personeelslid van een zusterstichting tot mentor. Verzoekers, waaronder appellant 4 en mevrouw A, stelden dat het in het belang van de rechthebbende was dat zij zelf deze rollen vervulden, gezien hun betrokkenheid en zorg.
Het hof oordeelde dat de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, zoals vastgelegd in de wet, moet worden gevolgd tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. De vrees van een belanghebbende dat appellant 4 en mevrouw A de rechthebbende zouden overplaatsen, werd ingetrokken. Ook werd vastgesteld dat personeel van de instelling waar de rechthebbende verblijft niet als mentor kan worden benoemd, ook niet als het personeel formeel in dienst is bij een zusterstichting vanwege de onderlinge samenhang.
Het hof vernietigde daarom de eerdere beschikking en benoemde appellant 4 tot bewindvoerder en mevrouw A tot mentor. Tevens verklaarde het hof de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Appellant 1 en 2 werden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat zij in eerste aanleg niet waren verschenen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere beschikking en benoemt appellant 4 tot bewindvoerder en mevrouw A tot mentor.