ECLI:NL:GHSGR:2004:AR5384
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- In 't Velt-Meyer
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Geen kennelijk onredelijk ontslag wegens wegvallen werkzaamheden door BSE-maatregelen
In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal tegen vonnissen van de rechtbank die het ontslag van twee productiemedewerkers kennelijk onredelijk hadden verklaard. De medewerkers waren werkzaam bij een groothandel in slachtproducten, waar hun werkzaamheden kwamen te vervallen door overheidsmaatregelen in verband met de BSE-crisis.
De centrale feiten betreffen het verbod op het bewerken en verhandelen van runderdarmen en de verplichting tot BSE-tests bij runderen ouder dan 30 maanden, met als gevolg dat slachtproducten op het slachthuis moesten blijven tot de testuitslag bekend was. De werkgever had op 17 januari 2001 in strijd met afspraken pensen vervoerd naar zijn bedrijfspand, waarna de werkzaamheden wegvielen en hij ontslagvergunningen aanvroeg voor de medewerkers.
Het hof oordeelde dat het wegvallen van werkzaamheden verband hield met de overheidsmaatregelen en dat de werkgever niet verwijtbaar had gehandeld. Het vervoer van pensen was een keuze tussen twee kwaden en had niet geleid tot het vervallen van de werkzaamheden. De werkgever had bovendien pogingen gedaan om koelruimte te regelen en de medewerkers tot 1 februari 2001 aan het werk gehouden. Het ontslag werd daarom niet kennelijk onredelijk verklaard en de vorderingen van de medewerkers werden afgewezen.
Het hof vernietigde de eerdere vonnissen, wees de vorderingen af en veroordeelde de medewerkers in de proceskosten. Hiermee bevestigde het hof dat het ontslag gerechtvaardigd was door het wegvallen van werkzaamheden door externe overheidsmaatregelen.
Uitkomst: Het hof verklaart het ontslag niet kennelijk onredelijk en wijst de vorderingen van de medewerkers af.