ECLI:NL:GHSGR:2005:AS5841

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
797-H-04
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dusamos
  • Van Nievelt
  • Duindam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek uitvoerbaarverklaring bij voorraad inzake stamrechtverplichting

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die hem verplichtte zich in te spannen om te bewerkstelligen dat de helft van de stamrechtverplichtingen per 31 december 2001, groot ƒ 925.466,-, wordt afgestort onder een door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar.

De man verzocht om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze verplichting, stellende dat afstorting niet of nauwelijks ongedaan gemaakt kan worden en dat dit de pensioenuitkering van de verzekeraar zou frustreren. De vrouw betwistte dit.

Het hof oordeelde dat er geen sprake was van misbruik van executiebevoegdheid of een juridische of feitelijke misslag en dat het belang van de vrouw bij uitvoerbaarheid zwaarder woog dan dat van de man. De vrouw had bovendien aangeboden de kosten van terugdraaien te dragen indien nodig.

Daarom wees het hof het verzoek van de man af en handhaafde de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verplichting tot afstorting van de stamrechtverplichtingen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en bevestigt de verplichting tot afstorting van stamrechtverplichtingen.

Uitspraak

Uitspraak : 19 januari 2005
Rekestnummer : 797-H-04
Rekestnr. rechtbank : 01-1559
GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. H.C. Grootveld,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. E.M. van Hilten-Kostense.
PROCESVERLOOP
De man is op 18 augustus 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 mei 2004. De man heeft tegen die beschikking twee beroepschriften ingediend. De onderhavige procedure betreft een schorsingsverzoek van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, betrekking hebbend op de bepaling dat de man zich zal inspannen om te [bewerkstelligen] dat [b.v. x] de helft van de per 31 december 2001 opgebouwde stamrechtverplichtingen van ƒ 925.466,- afstort onder een nader door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar. Het andere beroep is gericht tegen die bepaling op zich, welk beroep bij het hof bekend is onder rekestnummer 782-H-04.
De vrouw heeft op 19 november 2004 een verweerschrift ingediend.
Op 17 december 2004 is het schorsingsverzoek mondeling behandeld. De zaak met rekestnummer 782-H-04 zal op een nader vast te stellen datum worden behandeld.
Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. L.J.H. Gijbels, en de procureur van de vrouw namens de vrouw. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. Van de zijde van de man zijn ter zitting brieven overgelegd van A Priori V.O.F. en van Deloitte, beide van 9 december 2004.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.
Bij de bestreden beschikking is onder meer uitvoerbaar bij voorraad verklaard de bepaling dat de man zich zal inspannen om te [bewerkstelligen] dat [b.v. x] de helft van de per 31 december 2001 opgebouwde stamrechtverplichtingen ad ƒ 925.466,- afstort onder een nader door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De man verzoekt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen terzake de bij de bestreden beschikking aan hem opgelegde inspanningsverplichting om te bewerkstelligen dat [b.v. x] de helft van de per 31 december 2001 opgebouwde stamrechtverplichting afstort onder een nader door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar. De vrouw bestrijdt zijn beroep.
2. De man stelt dat de bestreden beschikking zich niet leent voor een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gelet op de aard van de vordering. Voorts stelt de man dat de afstorting niet of nauwelijks kan worden teruggedraaid als de bestreden beschikking op dit punt wordt vernietigd. Hij voert daartoe aan dat evident is dat de afstorting bij een verzekeringsmaatschappij niet, dan wel slechts met zeer grote problemen en hoge kosten ongedaan gemaakt zou kunnen worden. Tot slot stelt de man dat de afstorting zou veroorzaken dat [b.v. x] niet meer kan voldoen aan haar verplichting om pensioen uit te keren, welke verplichting op 1 september 2004 is ingegaan. Afstorting van de helft van het stamrecht zou volgens de man [b.v. x] frustreren in de nakoming van de pensioenuitkering conform de pensioenbrief. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.
3. Ten aanzien van de stelling van de man dat de bestreden beschikking zich niet leent voor een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gelet op de aard van de vordering, oordeelt het hof als volgt. De man heeft erkend dat in artikel 288 Rv Pro. is bepaald dat de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren zonder de beperking “tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit”, welke bepaling wel op vonnissen van toepassing is zoals bepaald in artikel 233 Rv Pro. Het hof deelt de stelling van de vrouw dat schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad slechts plaatsvindt indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert dan wel indien de bestreden beschikking op een juridische of feitelijke misslag berust. Van een misbruik dan wel een misslag is het hof niet gebleken. Voor het overige is het hof van oordeel dat de man – gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd - niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid van de beslissing van de rechtbank zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw bij de uitvoerbaarheid daarvan. Er is geen sprake van een noodtoestand en de vrouw heeft als belang aangevoerd het veiligstellen van het stamrechtkapitaal en de behoefte aan een aanvullende uitkering op het pensioen dat zij bij Robeco geniet. Het hof weegt bovendien mee dat de vrouw de man het aanbod heeft gedaan om de pensioenverplichtingen uit te stellen nadat hij het deel van het stamrechtkapitaal van haar heeft afgestort. Voorts weegt het hof mee dat ter zitting van de zijde van de vrouw de toezegging is gedaan dat de vrouw de kosten van het eventueel terugdraaien van de afstorting voor haar rekening neemt en het hof gaat er van uit dat de vrouw die toezegging, indien de bestreden beschikking in de hoofdzaak op dat punt door het hof vernietigd zou worden, gestand zal doen.
4. Uit dit alles volgt dat het verzoek van de man moet worden afgewezen om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen terzake de bij de bestreden beschikking aan hem opgelegde inspanningsverplichting om te [bewerkstelligen] dat [b.v. x] de helft van de per 31 december 2001 opgebouwde stamrechtverplichting afstort onder een nader door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
wijst af het verzoek van de man, om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen terzake de bij de bestreden beschikking aan hem opgelegde inspanningsverplichting om te bewerkstelligen dat [b.v. x] de helft van de per 31 december 2001 opgebouwde stamrechtverplichting afstort onder een nader door de vrouw aan te wijzen professionele verzekeraar.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Van Nievelt en Duindam, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 19 januari 2005.