ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3555

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2200323004
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Borgesius
  • Van den Berg
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet bodembeschermingArt. 3 Besluit gebruik meststoffen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik dierlijke meststoffen op gedeeltelijk bevroren bodem in strijd met milieuregels

De verdachte heeft op een perceel grasland dierlijke meststoffen uitgereden terwijl de bodem gedeeltelijk bevroren was, hetgeen in strijd is met een milieureglement opgesteld ter bescherming van het milieu. In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld tot een geldboete van €650,-, subsidiair dertien dagen hechtenis. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het hof heeft het vonnis van de economische politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof acht bewezen dat verdachte de overtreding heeft begaan, maar wijst het verweer af dat de strafbaarheid ontbreekt omdat aan het doel van het voorschrift zou zijn voldaan. De wetgever heeft immers expliciet gekozen voor een verbod op het uitrijden van dierlijke mest op (gedeeltelijk) bevroren grond.

Echter heeft het hof meegewogen dat verdachte de meststoffen met een sleufkouter in de grond heeft gebracht, waardoor aan de emissie-arme doelstelling van het Besluit gebruik meststoffen is voldaan. Daarnaast is gebleken dat de handhaving van dit verbod in de praktijk is gewijzigd. Gezien deze omstandigheden legt het hof geen straf of maatregel op aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte is strafbaar, maar het hof legt geen straf op vanwege gewijzigde handhavingspraktijk en naleving emissie-arme toepassing.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003230-04
Parketnummer(s): 11-030153-03
Datum uitspraak: 23 februari 2005
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage economische kamer
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Dordrecht van 8 december 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 februari 2005.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van ? 650,- subsidiair dertien dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van Pro de Wet bodembescherming.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het tenlaste-gelegde, omdat aan het doel van het voorschrift, zoals vastgesteld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen, is voldaan.
Het hof verwerpt dit verweer. De wetgever heeft na afweging van alle betrokken belangen ervoor gekozen het uitrijden van dierlijke meststoffen op (gedeeltelijk) bevroren grond te verbieden (behoudens ten aanzien van vaste dierlijke meststoffen op grasland). Het is niet aan de rechter om de wenselijkheid van dit verbod te beoordelen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 650,- subsidiair dertien dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft op een perceel grasland dierlijke meststoffen gebruikt op een bodem die gedeeltelijk was bevroren. De verdachte heeft daarbij gehandeld in strijd met een voorschrift dat is opgesteld ter bescherming van het milieu.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een geschrift "Uitrijden tijdens vorst toegestaan zolang INgewerkt kan worden", afkomstig van de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (NLTO), aan het hof overgelegd. Blijkens dit geschrift heeft de NLTO over de problematiek omtrent het uitrijden van niet-vaste dierlijke meststoffen op bodems die geheel of gedeeltelijk bevroren waren overleg gevoerd met het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, omdat ook op die manier mest emissie-arm wordt aangewend. De uitkomst van dit overleg is, aldus dit geschrift, dat het Ministerie thans van mening is dat, indien de mest ín de grond gebracht kan worden, het in de praktijk niet uitmaakt of de grond geheel of gedeeltelijk bevroren is. Het in de grond brengen van niet-vaste dierlijke meststoffen kan gebeuren middels een zogenoemde 'sleuf-kouter'. Het beoordelingscriterium van de wetshandhavers dient dan ook te zijn of de mest-stoffen in de grond worden gebracht. Indien de niet-vaste meststoffen niet in de grond worden gebracht - bijvoorbeeld omdat de grond nog té bevroren is zodat een sleufkouter de mest niet in de grond kan brengen of omdat er bij bevroren grond een zogenoemde 'sleepvoet', die de mest óp de grond brengt, gebruikt wordt in plaats van een sleufkouter - dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. In de gevallen waarin de niet-vaste meststoffen in de grond worden gebracht, dient het opmaken van een proces-verbaal achterwege te blijven, nu aan de doelstelling van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm), zijnde het emissie-arm inbrengen van niet-vaste dierlijke meststoffen in de bodem, is voldaan.
Ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de verdachte op 20 februari 2003 niet-vaste dierlijke meststoffen middels een sleufkouter heeft uitgereden op grond waarvan de bovenlaag ontdooid was; hij heeft de meststoffen derhalve ín de grond aange-bracht. Nu ter terechtzitting in hoger beroep voorts aannemelijk is geworden dat de huidige handhaving in de praktijk van het verbod als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen afwijkt van de handhaving van dit verbod op 20 februari 2003, dient naar 's hofs oordeel de gewijzigde handhavingspraktijk in het voordeel van de verdachte te worden meegewogen.
Alle bovengenoemde omstandigheden in onderling verband en onderlinge samenhang bezien, acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mrs. Borgesius, Van den Berg en Fleers, in bijzijn van de griffier mr. Rutten.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 februari 2005.