ECLI:NL:GHSGR:2005:AT6677

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2200661104
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ritter
  • Van Dissel
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 316 lid 2 SrArt. 353 SrArt. 66 SrArt. 67 SrArt. 163 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens ontbreken rechtsgeldige klacht

In deze strafzaak heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter. De zaak betreft de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Op 24 augustus 2004 deed de vader van de verdachte aangifte tegen zijn zoon. Volgens de artikelen 316 lid 2 juncto 353 Sr is vervolging alleen mogelijk indien tevens een rechtsgeldige klacht is ingediend en niet tijdig is ingetrokken.

Het dossier bevat een brief van de vader waarin blijkt dat hij op 24 augustus 2004 een klacht wilde indienen, maar deze binnen acht dagen daarna op hetzelfde politiebureau heeft willen intrekken. Door toedoen van politieambtenaren heeft deze intrekking echter niet geleid tot een formele intrekking. Het hof oordeelt dat er daardoor geen rechtsgeldige en gehandhaafde klacht is ingediend.

Verder is vastgesteld dat de klacht niet door de klager is ondertekend, wat in strijd is met artikel 163 Sv Pro. Een van de betrokken politieambtenaren kon zich de toedracht niet herinneren, maar dit doet niet af aan het oordeel van het hof. Gezien het ontbreken van een geldige klacht verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigt het het vonnis waarvan beroep.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige klacht.

Uitspraak

Rolnummer: 22-006611-04
Parketnummer: 09-118437-04
Datum uitspraak: 1 juni 2005
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 20 oktober 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 mei 2005.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
In de onderhavige zaak is, blijkens het dossier, op 24 augustus 2004 aangifte gedaan tegen de verdachte door diens vader. Op grond van het bepaalde in de artikelen 316 lid 2 juncto 353 van het Wetboek van Strafrecht kan op grond van die aangifte slechts vervolging van de verdachte plaatsvinden indien er tevens een overeenkomstig de artikelen 66 en 67 van het Wetboek van Strafrecht rechtsgeldige klacht door de aangever is ingediend die niet -tijdig- is ingetrokken.
Het hof heeft in dit verband op grond van de dossierstukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vastgesteld.
In het proces-verbaal nr. 1573/2004/15645-6 van de politie Haaglanden, opgemaakt op 25 augustus 2004 door verbalisant [naam1] is als bijlage (pagina 010) opgenomen een proces-verbaal, dat -zakelijk weergegeven- de verklaring bevat van verbalisant [naam2] dat door de vader, aangever [naam3], op 24 augustus 2004 de hier bedoelde klacht is gedaan. Anders dan artikel 163 van Pro het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, is deze kennelijk gedane schriftelijke klacht evenwel niet door de klager ondertekend.
Nu aan de formele voorwaarden voor rechtsgeldige indiening van de klacht niet is voldaan, dient het hof te onderzoeken of de klachtgerechtigde vader op de juiste wijze een klacht heeft willen indienen en handhaven. Daaromtrent bevat het dossier een brief van de klachtgerechtigde vader, d.d. 18 oktober 2004, waaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat de vader op 24 augustus 2004 inderdaad bedoelde klacht heeft willen indienen, maar tevens dat hij deze klacht enkele dagen later -in elk geval minder dan acht dagen na 24 augustus 2004- op hetzelfde politiebureau heeft willen intrekken, hetgeen naar het oordeel van de klager -zakelijk weergegeven- door toedoen van de betrokken politie-ambtenaren ten onrechte niet heeft geleid tot een formele intrekking.
Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat niet uit de feitelijke omstandigheden kan worden afgeleid dat er thans -naar de kennelijke wens van klager- sprake is van een rechtsgeldig ingediende en gehandhaafde klacht.
Dat -zoals door het openbaar ministerie ter zitting is aangegeven- een van de (mogelijk) betrokken politieambtenaren zich thans de door de klager gestelde toedracht niet (meer) kan herinneren, doet daaraan niet af.
Nu vervolging van het onderhavige feit, bij gebreke van de daartoe vereiste rechtsgeldig ingediende, niet ingetrokken klacht niet is toegelaten, dient het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te worden verkaard, onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door mrs. Ritter, Van Dissel en Fleers, in bijzijn van de griffier mr. De Boer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juni 2005.