ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9300
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Stille
- Duindam
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij hoger beroep ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kinderen woonachtig in Turkije
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die haar kinderen onder toezicht stelde en machtigde tot uithuisplaatsing van twee van hen. De kinderen, [kind 2] en [kind 3], zijn na het indienen van het verzoek in maart 2005 naar Turkije vertrokken, waar zij hun gewone verblijfplaats hebben.
Het hof onderzoekt of het bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep nu de kinderen niet langer in Nederland wonen. Volgens het algemene beginsel is de rechter bevoegd indien dit het geval was bij het indienen van het verzoek in eerste aanleg. Echter, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, dat van toepassing is omdat zowel Nederland als Turkije verdragsluitende staten zijn, bepaalt dat de bevoegdheid afhangt van de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van het nemen van de maatregel.
Omdat de kinderen inmiddels in Turkije verblijven, dient de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid prijs te geven aan de rechter van de nieuwe verblijfplaats. Jeugdzorg heeft geen verzoek gedaan tot onmiddellijke terugkeer op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Daarom verklaart het hof zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek van de moeder in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens verblijf van de kinderen in Turkije.