ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9501
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Duindam
- Van Leuven
- Van Montfoort
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling vader-kind
De man, biologische vader van het kind, verzocht om vervangende toestemming tot erkenning van zijn dochter en om vaststelling van een omgangsregeling. De moeder verzette zich tegen erkenning en omgang, stellende dat erkenning haar relatie met het kind zou schaden en dat zij psychische en fysieke problemen heeft. De rechtbank verleende vervangende toestemming tot erkenning, maar wees het verzoek om omgang af.
In hoger beroep bevestigde het hof de vervangende toestemming tot erkenning, omdat het belang van het kind om haar vader te kennen zwaarder woog dan de emotionele weerstand van de moeder. De moeder had onvoldoende onderbouwd dat erkenning de ongestoorde verhouding met het kind zou schaden. Wat betreft de omgangsregeling oordeelde het hof dat er geen gronden waren om omgang te ontzeggen, maar vanwege de kwetsbare gezinssituatie en het lange tijd ontbreken van contact werd een onbegeleide omgang voorlopig afgewezen.
Het hof beval de raad om via het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding drie proefcontacten te organiseren tussen vader en kind en hierover te rapporteren. De beslissing over de omgangsregeling werd aangehouden tot 31 december 2005, zodat op basis van de proefcontacten een weloverwogen beslissing kan worden genomen.
Uitkomst: Vervangende toestemming tot erkenning verleend; omgangsregeling aangehouden voor proefcontacten via omgangsbegeleiding.