ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9502
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Duindam
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling met meerderjarige geestelijk gehandicapte zoon
De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen met zijn meerderjarige zoon, die geestelijk en lichamelijk gehandicapt is en functioneert op het niveau van een driejarig kind. De zoon woont bij de moeder, die tevens zijn mentor is. De rechtbank verklaarde het verzoek ontvankelijk en behandelde het verzoek inhoudelijk.
De moeder maakte bezwaar tegen de ontvankelijkheid, stellende dat art. 1:377a BW alleen ziet op minderjarige kinderen en niet analoog toegepast kan worden op meerderjarige kinderen. Het hof oordeelde dat dit bezwaar terecht is en dat de vader niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat het wetsartikel geen grondslag biedt voor omgangsverzoeken met meerderjarige kinderen, ongeacht hun geestelijke toestand.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank voor zover de vader ontvankelijk werd verklaard en kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De moeder, als mentor, is bevoegd om de belangen van de zoon te behartigen en bezwaar te maken tegen omgangsverzoeken.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzoek van de vader tot omgang met zijn meerderjarige geestelijk gehandicapte zoon niet-ontvankelijk en vernietigt de eerdere beschikking.