ECLI:NL:GHSGR:2005:AU0191
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.H. de Wild
- A.A. Schuering
- M.H. van Coeverden
- Rechtspraak.nl
Opdrachtovereenkomst als fictieve arbeidsovereenkomst en verrekening verplichte inhoudingen
In deze zaak staat centraal of een opdrachtovereenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer als een fictieve arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt en wat de gevolgen daarvan zijn voor de verrekening van verplichte inhoudingen zoals premies en loonbelasting. De opdrachtnemer verrichtte werkzaamheden vanaf 1997 tot 1999 en factureerde hiervoor bedragen waarop de opdrachtgever deels inhoudingen verrichtte.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) stelde vast dat de opdrachtnemer als werknemer moest worden beschouwd en dat de opdrachtgever premies verschuldigd was. De rechtbank wees de vordering van de opdrachtnemer tot betaling van openstaande bedragen toe, omdat de opdrachtgever het risico draagt voor de onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Het hof bevestigt dat de opdrachtgever over de facturen van 1997 geen inhoudingen mocht verrekenen en dat zij slechts tot het bedrag mocht inhouden dat zij verplicht was af te dragen over de facturen van 1998. De opdrachtgever moet specificeren welke bedragen zij daadwerkelijk heeft afgedragen. De zaak wordt verwezen voor nadere uitlatingen en partijen worden aangemoedigd tot minnelijke regeling.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de opdrachtgever slechts verplichte inhoudingen mag verrekenen en verwijst de zaak voor nadere uitlatingen.