ECLI:NL:GHSGR:2005:AU2918
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van den Wildenberg
- Labohm
- Tanja
- Rechtspraak.nl
Geschil over verrekening en waardering van vermogensbestanddelen bij echtscheiding
In deze zaak staat de verrekening van vermogensbestanddelen tussen ex-echtgenoten centraal, waaronder de echtelijke woning, aandelen in een besloten vennootschap, een eenmanszaak en bedrijfsonroerend goed. De man stelde dat bepaalde vermogensbestanddelen niet uit voor verrekening vatbare inkomsten waren gefinancierd, maar slaagde er niet in dit voldoende te onderbouwen.
De vrouw betwistte de stellingen van de man en leverde bewijs dat privé- en zakelijke geldstromen waren verstrengeld, onder meer door bankafschriften. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende had aangetoond dat vermogensbestanddelen niet uit verrekenbare inkomsten waren verkregen, waardoor het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro van toepassing bleef.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank over de woning en verklaarde voor recht dat het bedrijfsterrein, aandelen, effecten, spaarrekeningen en levensverzekering voor verrekening in aanmerking komen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
De zaak benadrukt het belang van een gedegen bewijsvoering bij verrekening van vermogensbestanddelen na echtscheiding en de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden bij huwelijkse voorwaarden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis over de woning en verklaart voor recht dat diverse vermogensbestanddelen voor verrekening in aanmerking komen, waarbij het bewijsvermoeden uit art. 1:141 BW geldt.