ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3076

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/123
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vonk
  • Van Knobelsdorff
  • Pieters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen langdurig stilzitten rechter-commissaris en bewindvoerder bij schuldsanering

A was onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die op 27 oktober 2004 door de rechtbank Dordrecht werd beëindigd zonder verlening van de schone lei, wegens het ontstaan van een nieuwe schuld door een verkeersongeval onder invloed.

Tijdens de regeling veroorzaakte A op 8 juni 2002 een ongeval onder invloed van alcohol. Hij meldde dit direct aan de bewindvoerder, die het ongeval rapporteerde aan de rechter-commissaris. Nationale Nederlanden stelde een vordering van € 6.749,09 en stemde in met opschorting van invordering tot na beëindiging van de regeling.

De rechter-commissaris oordeelde dat de schuld bovenmatig was en een toerekenbare tekortkoming vormde, waardoor geen schone lei kon worden verleend. Het hof stelde echter vast dat deze constatering ruim twee jaar na melding plaatsvond zonder dat tussentijds actie werd ondernomen, terwijl A zich aan zijn verplichtingen hield.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en besloot dat alsnog de schone lei aan A moet worden verleend, en verwees de zaak terug voor verdere afdoening.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verleent alsnog de schone lei aan A.

Uitspraak

Uitspraak: 3 februari 2005
Rekestnummer: R04/1019
Rekestnr. rechtbank: 01/123 R
HET GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE, zesde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
A,
wonende te Gorinchem,
appellant,
hierna te noemen: A,
procureur: mr. K. Aantjes.
Het geding
Bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 3 oktober 2001 is ten aanzien van A de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Bij vonnis van rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2004 is de schuldsanerings-
regeling ten aanzien van A beëindigd zonder verlening van de schone lei. Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van het hof op 4 november 2005 heeft A hoger beroep inge¬steld tegen laatstgenoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2005 waarbij A is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. van der Kroon, advocaat te Gorinchem. De bewindvoerder, C.J. van der Linden, is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen.
Beoordeling van het hoger beroep
1. A heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem heeft beëindigd zonder aan hem de schone lei te verlenen op grond van het oordeel dat hij toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting om tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan en dat deze tekortkoming gezien het feit dat de schuld is ontstaan door het rijden onder invloed in combinatie met de hoogte van het bedrag niet buiten beschouwing kan worden gelaten.
2. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Tijdens de schuldsaneringsregeling, op 8 juni 2002, heeft A een verkeersongeval veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Na het ongeval heeft A direct contact opgenomen met de bewindvoerder en heeft hij de bewindvoerder volledige openheid van zaken gegeven. In zijn verslag van 1 augustus 2002 heeft de bewindvoerder het ongeval gemeld aan de rechter-commissaris. Tevens heeft de bewindvoerder in dat verslag gemeld dat de verzekeraar van de benadeelde, te weten Nationale Nederlanden, de schade op A wilde verhalen maar dat het schadebedrag nog niet bekend was.
3. Op 1 juli 2003 heeft Nationale Nederlanden A laten weten zij met betrekking tot het ongeval een bedrag van € 6.749,09 van hem vordert. Hierop heeft A contact opgenomen met de Gemeentelijke Kredietbank Gorinchem (hierna te noemen: de GKB). Bij brief van 15 september 2003 heeft de GKB aan Nationale Nederlanden de telefonische afspraak bevestigd dat Nationale Nederlanden de invordering tot na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zou opschorten. Voorts heeft de GKB bij die brief bevestigd dat na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling naar de mogelijkheid van een saneringskrediet zal worden gekeken waarbij de vordering van Nationale Nederlanden tegen 50 % van die vordering ter finale kwijting zou worden voldaan.
4. De bewindvoerder heeft bij brieven van 1 augustus 2004 en 6 oktober 2004 inlichtingen aan Nationale Nederlanden gevraagd omtrent de vordering op A. Uit een ter zitting van het hof overgelegde brief van 12 oktober 2004 is gebleken dat Nationale Nederlanden de bewindvoerder heeft laten weten dat in overleg met de GKB is afgesproken dat de vordering opeisbaar wordt gesteld nadat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van A is beëindigd.
In zijn verslag van 22 oktober 2004 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris echter laten weten dat hij nog niets heeft vernomen van Nationale Nederlanden of van A inzake de mogelijke schadeclaim wegens het veroorzaken van het verkeersongeval. De bewindvoerder heeft voorts in zijn verslag meegedeeld dat A zich naar zijn oordeel aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling heeft gehouden.
5. De rechter-commissaris heeft blijkens het bestreden vonnis geoordeeld dat de schuld aan Nationale Nederlanden bovenmatig is en derhalve een toerekenbare tekortkoming van A vormt die de verlening van de schone lei in de weg staat. Dat Nationale Nederlanden de vordering eerst na afloop van de schuldsaneringsregeling opeisbaar stelt, doet daar niet aan af.
6. Nu de rechter-commissaris zich op standpunt heeft gesteld dat de schuld aan Nationale Nederlanden bovenmatig is en derhalve een toerekenbare tekortkoming van A vormt die de verlening van de schone lei in de weg staat had het in de rede gelegen dat bij de eerste melding van die schuld door de bewindvoerder aan de rechter-commissaris, te weten op 1 augustus 2002, er een voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zou zijn gedaan. Dit is echter noch door de rechter-commissaris noch door de bewindvoerder gedaan. Het is ten opzichte van A niet aanvaardbaar dat de beslissing van de rechtbank tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling - zonder het verlenen van de schone lei op voornoemde grond - ruim twee jaar nadat de rechter-commissaris van die grond kennisnam, is genomen, gedurende welke periode de verplichtingen van A uit de schuldsaneringsregeling bleven voortbestaan. Nu voorts is gebleken dat A zich aan die verplichtingen heeft gehouden is het hof van oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat aan A alsnog de schone lei moet worden verleend.
Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2004;
verwijst de zaak naar de rechtbank Dordrecht ter verdere afdoening.
Dit arrest is gewezen door mrs. Vonk, Van Knobelsdorff en Pieters, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2005 in aanwezigheid van de griffier.