5.1. Grief III luidt als volgt:
“Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst aan te merken zou zijn als een arbeids-overeenkomst.”
5.2. De Muziekschool voert in de toelichting bij deze grief bezwaren aan tegen de overwegingen van de rechtbank dat sprake zou zijn van een gezagsverhouding, de verplichting tot het persoonlijk gegeven van de muzieklessen en betaling van loon. Tenslotte stelt de Muziekschool dat het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming is met de geldende rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie van een arbeids-overeenkomst.
6. Het hof overweegt het volgende.
6.1. Dat wat tussen partijen heeft te gelden, wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
6.1.1. De benaming en de artikelen van de schriftelijke overeenkomst tussen partijen wijzen op een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst.
6.1.2. De rechtbank heeft de feitelijke uitvoering van de overeenkomst getoetst en heeft aangenomen dat er een gezagsverhouding tussen [geïntimeerde] en de Muziekschool is alsmede dat sprake is van betaling van loon. De gezags-verhouding heeft de rechtbank afgeleid uit onder meer het feit dat de Muziekschool [geïntimeerde] kon aanspreken op zijn gedrag binnen de school, de gang van zaken binnen de Muziekschool, waarbij de Muziekschool bepaalde hoeveel en in grote lijnen ook op welke tijden hij les gaf en waarbij de Muziekschool ook de tarieven voor de lessen bepaalde en de gang van zaken en het optreden van de directrice van de Muziekschool na 12 januari 2003, alsmede de verwijzing in de opzeggingsbrief naar het ontbreken van een werkvergunning of sofi-nummer. De rechtbank heeft tevens overwogen dat van belang zou zijn dat [geïntimeerde] verplicht was, uitzonderingen daargelaten, de muzieklessen persoonlijk te geven.
6.1.3. Het hof oordeelt echter dat voornoemde feiten zich eveneens verdragen met de uitvoering van een andere soort overeenkomst. Ook als er alleen studioruimte ter beschikking wordt gesteld, ligt het immers voor de hand dat er regels worden opgesteld om het delen van de ruimte met andere gebruikers in goede banen te leiden en moeten de gebruikers op hun gedrag aangesproken kunnen worden. Het hof overweegt verder dat bij een overeenkomst tot het verstrekken van faciliteiten aan een muziekdocent, de docent zijn eigen leerlingen lesgeeft in deze ruimte en deze leerlingen er dan waarschijnlijk prijs op zullen stellen dat de muziekdocent persoonlijk de lessen geeft, bijvoorbeeld vanwege zijn specifieke muzikale kennis en vaardigheden of omdat de docent zo zicht kan houden op hun individuele voortgang. Bij deze opvatting past ook het feit dat [geïntimeerde] in januari 2004 van oordeel was dat hij zonder enig probleem zijn leerlingen zou kunnen meenemen om in Dordrecht een eigen praktijk te starten.
6.2. Naar het oordeel van het hof hebben partijen een overeenkomst gesloten die thans, ook als artikel 7: 610a BW in ogenschouw wordt genomen, niet als een arbeidsovereenkomst kan worden gekwalificeerd. Er is derhalve sprake van een overeenkomst (sui generis) voor bepaalde tijd. Grief III slaagt.