ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6296

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
9 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
325-H-05
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Nievelt
  • Husson
  • Scheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking omgangsregeling

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die een proefcontactregeling voor omgang tussen de vader en het minderjarige kind bepaalde. De omgang zou plaatsvinden onder begeleiding in een omgangshuis gedurende zes maanden, éénmaal per drie weken op woensdagmiddag.

Het hof oordeelt dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft, omdat deze geen definitieve beslissing geeft over de omgangsregeling maar slechts een voorlopige proefcontactregeling oplegt. Volgens artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is hoger beroep tegen tussenbeschikkingen niet toegestaan, tenzij de rechter anders beslist, wat hier niet het geval is.

De moeder is daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De zaak zal na evaluatie van de proefcontacten door het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding en de raad voor de kinderbescherming worden voortgezet bij de rechtbank. De vader is niet verschenen in hoger beroep en de raad voor de kinderbescherming is als belanghebbende betrokken.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk omdat het betreft een tussenbeschikking waartegen geen hoger beroep openstaat.

Uitspraak

Uitspraak : 9 november 2005
Rekestnummer : 325-H-05
Rekestnr. rechtbank : 02-7348
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appelllante],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. W. Taekema,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
niet verschenen in hoger beroep
hierna te noemen: de vader.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de raad voor de kinderbescherming,
vestiging Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 15 maart 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 17 december 2004.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 12 april 2005 en 30 mei 2005 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de raad is bij het hof op 27 juni 2005 het raadsrapport van 28 juni 2004 ingekomen.
Op 12 oktober 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. C.L.M. Smeets, en namens de raad de heer M. Keizer. De vader is niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de vader en de moeder, hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders, het volgende vast.
Uit het op [datum] door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders is het volgende nog minderjarig[kind]d geboren: [kind], geboren op [geboortedatum], verder: [kind]. De moeder heeft alleen het gezag over [kind]. Hij verblijft sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.
Op 4 december 2002 heeft de vader de rechtbank te ’s-Gravenhage onder meer verzocht een omgangsregeling te bepalen inhoudende dat hij [kind] bij zich mag hebben: iedere veertien dagen een weekend en gedurende de zomervakantie een aaneengesloten periode van veertien dagen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.
Bij tussenbeschikking van 3 juni 2003 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage onder meer aan de raad verzocht een onderzoek te verrichten welke omgangsregeling in het belang van [kind] is.
De raad heeft in zijn raadsrapport van 28 juni 2004 de rechtbank geadviseerd om een tijdelijke omgangsregeling op te leggen tussen [kind] en de vader van zes keer in vijf maanden onder begeleiding van het omgangshuis, en daarna een definitieve regeling af te spreken, waarbij de ervaring van de ouders en het omgangshuis mee in overweging wordt genomen.
Het dictum van de bestreden beschikking luidt aldus:
"bepaalt dat er voor de duur van zes maanden éénmaal in de drie weken op woensdagmiddag gedurende 3 à 4 uur omgang zal plaatsvinden tussen de vader en de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum] te Rotterdam, in het omgangshuis te Rotterdam en onder begeleiding van het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
(...)
"houdt de behandeling pro forma aan tot 1 juni 2005; uiterlijk twee weken vóór die datum dient het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding zich uit te laten omtrent de voortgang van de procedure;
bepaalt dat, nà ontvangst van de evaluatie van het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding, de behandeling ter terechtzitting, (....) zal worden voortgezet in aanwezigheid van de raad voor de kinderbescherming;" (....)
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij is bepaald dat er omgang zal plaatsvinden in het omgangshuis te Rotterdam van het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding.
2. Het hof dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of de moeder ontvankelijk is in haar beroep.
3. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking slechts een tussenbeschikking heeft gegeven. De beschikking waarvan beroep maakt in het dictum niet een (gedeeltelijk) einde aan het geding tussen partijen betreffende de omgangsregeling. Immers, naar het hof verstaat, zal de rechtbank afhankelijk van de uitkomsten (van de evaluatie) van de opgedragen begeleide proefcontacten pas bepalen óf en in hoeverre eventueel sprake kan zijn van een defintieve omgangsregeling.
Artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat van tussenbeschikkingen afzonderlijk hoger beroep niet is toegelaten, tenzij de rechter anders bepaalt, hetgeen in casu niet is geschied. Daaraan doet niet af, dat de onderhavige beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Hieruit volgt, dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft, waartegen geen hoger beroep openstaat. De moeder dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar hoger beroep.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Nievelt, Husson en Scheij, bijgestaan door mr. Arnbak-d'Aulnis de Bourouill als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2005.