5. Het hof overweegt als volgt.
5.1 Op grond van de foto's 5 tot en met 10, die bij conclusie van antwoord zijn overgelegd, en de aan het proces-verbaal getuigenverklaring van 17 juli 2002 gehechte en niet betwiste tekening, die de ligging van de keldertrap in de boekhandel weergeeft, komt het hof tot het oordeel dat de keldertrap tijdens de uitvoering van cateringwerkzaamheden in de boekhandel een potentieel gevaar vormde, waarvoor [inlener] [uitzendkracht] vooraf had moeten waarschuwen. Uit genoemde stukken blijkt, dat de keldertrap niet is afgeschermd, terwijl de trap zich - komend vanuit de kantoorruimte op nr. 7 - direct rechts in de smalle doorgang bevindt, dat boven aan de keldertrap geen platform is, en dat de keldertrap vanuit de kantoorruimte op nr. 7 bezien geheel aan het zicht onttrokken wordt door de scheidingsmuur tussen de kantoorruimte nr. 7 en de keldertrap. Voorts blijkt daaruit dat de route naar de winkelruimte na de doorgang waar zich de keldertrap bevond, in de kantoorruimte op nr. 5 direct naar rechts gaat voorbij de scheidingsmuur tussen de keldertrap en de kantoorruimte op nr. 5 om de deur door te kunnen die toegang geeft tot de winkelruimte. Bij de beoordeling van de vraag of de keldertrap een potentieel gevaar vormde, heeft het hof mede in aanmerking genomen, dat [uitzendkracht] zijn werkzaamheden verrichtte in een voor hem onbekende werkomgeving. Om die reden gaat het hof ook voorbij aan de [getuigenverklaringen van de eigenaren van de boekhandel], dat zij de keldertrap nooit beschouwd hebben als een gevaarlijke situatie. Mede in aanmerking genomen hun verklaring dat zij - wetende dat de trap er was - daar rekening mee hielden.
5.2 [inlener] stelt dat [de partymanager] [uitzendkracht] voorafgaand aan de te verrichten werkzaamheden een rondleiding heeft gegeven. Hetgeen [uitzendkracht] betwist. De bewijslast daarvan rust op [inlener].
5.3 De [partymanager heeft als getuige] dienaangaande het volgende verklaard: "(…) Het was standaard richtlijn bij [inlener], dat als de medewerkers komen je met deze medewerkers de partij doorneemt, wat de opdrachtgever wil, welke werkzaamheden ze moeten doen. Ik weet bijna 100% zeker dat ik hen op het trappengat heb geattendeerd. Ik namelijk zeker dat de eigenaresse mij daarop gewezen had. (…) Ik weet niet meer hoe ik het de medewerkers gezegd heb maar wel zeker dat ik ze erop gewezen heb. (…)"
5.4 De getuige [een werknemer van inlener] heeft het volgende verklaard:
"Ik ben in dienst geweest van [inlener] van 1990 tot ongeveer 1999. Ik was chauffeur en logistiek medewerker. (…) Ik kwam altijd eerder dan de anderen samen met de party-leider. (…) Eerst wordt de ruimte bekeken en stellen wij vast waar alles moet komen te staan. (…) Ik weet in dit specifieke geval niet of de party-leider de medewerkers de route heeft laten zien of althans mondeling heeft uitgelegd. Dit is wel normaal. De party-leider laat de medewerkers zien hoe ze kunnen lopen en waar ze naar toe moeten. (…) Ik was niet gewezen op de trap. (…)"
5.5 De getuige [een werknemer van inlener] heeft verklaard:
"Ik was indertijd werkzaam voor [inlener]. Ik moest indertijd bij de receptie van een boekhandel [te Rotterdam] de koffietafel verzorgen. Voorzover ik mij herinner heeft er, voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden, geen rondleiding door de boekhandel plaatsgevonden. (…)"
5.6 De getuige [uitzendkracht] heeft verklaard:
"In 1998 was ik in dienst van Adecco. Ik werkte uitsluitend voor [inlener]. In april 1998 was er een receptie bij [een boekhandel te Rotterdam]. Ik kan mij niet herinneren dat wij ter plekke een rondleiding kregen voor wij met onze werkzaamheden begonnen. Dit was geen vaste routine. Het gebeurde wel bij grote partijen op een grote locatie. (…)"
5.7 Naar het oordeel van het hof heeft [inlener] met deze verklaringen niet aangetoond dat [de partymanager] [uitzendkracht] voorafgaand aan zijn werkzaamheden een rondleiding heeft gegeven. Voorts is gesteld noch gebleken dat [uitzendkracht] door [inlener] voor de keldertrap is gewaarschuwd.
[inlener] is daarom aansprakelijk voor de schade die [uitzendkracht] ten gevolge van het ongeval lijdt.
5.8 Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [inlener] tot het horen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen, nu [inlener] niet heeft aangevoerd wat deze getuigen nog meer kunnen verklaren dan zij reeds hebben verklaard. Aan een gerechtelijke plaatsopneming, zoals door [inlener] verzocht, heeft het hof na kennisneming van de in het geding gebrachte foto's geen behoefte.
5.9 Het hof verwerpt het verweer van [inlener], dat waarschuwen voor de keldertrap het ongeval niet had kunnen voorkomen vanwege onoplettendheid van [uitzendkracht]. Van [inlener] mag worden verlangd dat zij rekening houdt met de mogelijkheid dat haar werknemers niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen. Naar het oordeel van het hof zou een waarschuwing voor de keldertrap de kans dat [uitzendkracht] was gevallen aanzienlijk hebben verkleind, ook wanneer er van uit wordt gegaan dat [uitzendkracht] voor het ongeval de trap al een paar keer zonder vallen was gepasseerd.
5.10 [inlener] heeft bepleit voor het geval zou worden geoordeeld dat zij aansprakelijk is, in de onderhavige procedure de schade te begroten en daartoe een deskundige te benoemen die de omvang van de schade in kaart kan brengen en kan onderzoeken in hoeverre de schade het gevolg is van het ongeval dat [uitzendkracht] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij
[inlener] is overkomen. Het hof zal een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uitspreken reeds omdat [uitzendkracht] anders een instantie zou missen.
5.11 De slotsom is dat de grieven I en II slagen en dat [uitzendkracht] daarmee geen belang heeft bij de bespreking van grief III. Het hof zal het tussenvonnis van 7 december 2001 bekrachtigen en het eindvonnis van 13 juni 2003 vernietigen en de vorderingen van [uitzendkracht] alsnog toewijzen.
[inlener] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.