ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9627
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- A.A. Schuering
- M.H. van Coeverden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing kennelijk onredelijk ontslag werknemer tankcleaner
Werknemer trad in 1991 in dienst bij Swinstadt Cleaning B.V. als tankcleaner en werd in 2003 ontslagen met toestemming van het CWI. Hij was sinds 1999 ziek en arbeidsongeschikt, waarbij Swinstadt het salaris en een suppletie op de WAO-uitkering betaalde. Werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een vergoeding conform de kantonrechtersformule.
De rechtbank wees zijn vorderingen af, waarna hij in hoger beroep drie grieven aanvoerde: ten onrechte werd een vergoeding volgens de kantonrechtersformule buitensporig geacht, ten onrechte werd geoordeeld dat hij niet in een slechtere financiële positie was gebracht, en ten onrechte werd het ontslag niet als kennelijk onredelijk aangemerkt.
Het hof oordeelde dat de kantonrechtersformule een maximum kent en dat de gevorderde vergoeding te hoog was. De financiële positie van werknemer was niet slechter geworden door het ontslag, aangezien de suppletie al tijdens het dienstverband was beëindigd en de kosten van procedures niet aan het ontslag konden worden toegerekend. Ook was de stelling van een causaal verband tussen lichamelijke slijtage en het werk onvoldoende onderbouwd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde werknemer in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de werknemer af.