ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-04/00868
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Sanders
  • Tromp
  • Beelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 11 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 15 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 8:74 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt recht op teruggaaf omzetbelasting voor vernietigd drukwerk

Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid en actief in het bankbedrijf, verzocht om teruggaaf van € 1.045 omzetbelasting over drukwerk dat buiten gebruik was gesteld en vernietigd door een gespecialiseerd bedrijf. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Hof.

Het Hof stelde vast dat de vernietiging van het drukwerk door de archiefvernietiger een voor de omzetbelasting belaste prestatie vormt en dat belanghebbende deze prestatie heeft geleverd. Ondanks het geringe waarde van het drukwerk, concludeerde het Hof dat het drukwerk is geleverd en niet meer voor de oorspronkelijke bancaire doeleinden is gebruikt.

Daarom komt de niet in aftrek gebrachte belasting op het drukwerk alsnog voor teruggaaf in aanmerking op grond van artikel 15, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: Het Gerechtshof verleent teruggaaf van € 1.045 omzetbelasting en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
tweede meervoudige belastingkamer
20 januari 2006
nummer BK-04/00868
UITSPRAAK
op het beroep van de fiscale eenheid A te--gen de uitspraak van de In-specteur, de voorzitter van het ma-na-ge-ment--team van de Belastingdienst/Am-ster-dam, be-tref-fende na te noemen beschikking.
1. Teruggaafverzoek, beschikking en bezwaar
Belanghebbende heeft bij haar aangifte voor de omzetbelasting over de maand november 2003 verzocht om een teruggaaf van € 1.045. De Inspecteur heeft bij beschikking het verzoek afge-wezen. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehand-haafd.
2. Loop van het geding
2.1. Belanghebbende is van die uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmee heeft de grif-fier een griffierecht geheven van € 273.
2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Be-lang--hebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek in-ge-diend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een con-clusie van du-pliek.
2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsge-von-den ter zitting van het Hof van 9 december 2005, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ver--handelde ter zitting is een proces-verbaal opge-maakt.
3. Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of on-voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:
3.1. Belanghebbende, althans de naamloze vennootschap A. te Rotterdam als on-derdeel van de fis-ca-le eenheid die belanghebbende voor de om-zetbelas-ting is, oefent het bankbedrijf uit. Voor de in dat ka-der ver-richte activi-tei-ten is zij ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hier-na: de Wet).
3.2. Belanghebbende stelt geregeld een deel van het drukwerk - brief-pa-pier, bro-chures, formulieren, folders en dergelijke - dat in het kader van haar bankbedrijf is aangeschaft, buiten ge-bruik, omdat – onder andere – de handelsnaam of het logo van het betrokken bedrijfsonderdeel is gewijzigd, administratieve procedures zijn aangepast of formulieren in onbruik zijn ge-raakt.
3.3. Het buiten gebruik gestelde drukwerk (hierna: het druk-werk) wordt opgehaald door een in archiefvernietiging gespecia-liseerd bedrijf (hierna: de archiefvernietiger). Over en weer hebben geen betalingen (in geld) plaats. Evenmin worden factu-ren uitge-reikt. Voor ver-nie-tiging van het drukwerk is gekozen om te voorkomen dat er mis-bruik van wordt gemaakt.
3.4. Een deel van de op het drukwerk betrekking hebbende omzet-belasting (voorbelasting) heeft belanghebbende in aftrek ge-bracht. De aftrek heeft plaatsgehad overeenkomstig de bestem-ming van het drukwerk, te weten ten behoeve van het gebruik voor - kortweg - bancaire prestaties, en is berekend aan de hand van de in ar-ti-kel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoe-rings-beschik-king omzetbelasting 1968 vermelde me-thode.
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. Par-tijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of be-lang-hebbende recht heeft op een te-ruggaaf van het niet in af-trek gebrachte deel van de op het drukwerk betrekking hebbende belasting, welke vraag belanghebbende bevestigend en de In-spec-teur ontkennend beantwoordt.
4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aange-voerd in de stuk-ken. Zij heb-ben hun standpun-ten ter zitting toegelicht.
4.3. Tussen partijen staat vast, zo bleek ook ter zitting, dat aan belanghebbende een teruggaaf van € 1.045 kan worden ver-leend, zo het gelijk aan haar zijde is.
5. Conclusies van partijen
5.1. Het beroep van belang-hebbende strekt tot het verlenen van een teruggaaf van € 1.045 aan belasting.
5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
6. Overwegingen omtrent het geschil
6.1. Het Hof merkt als tussen partijen vaststaand aan dat de ar-chiefvernietiger met het vernietigen van het drukwerk een voor de omzetbelasting be-lastbare prestatie jegens be-lang-heb-ben-de verricht en dat be-lang-hebbende die prestatie met het af-ge-ven van het drukwerk be-taalt. Daaruit is naar ’s Hofs oordeel af te leiden dat be-lang-hebbende een voor de omzetbe-las-ting be-lastbare prestatie, te weten de levering van drukwerk, jegens de archiefvernietiger verricht.
6.2. De enkele omstandigheid dat, naar de Inspecteur heeft ge-steld, het drukwerk een betrekkelijk geringe waarde heeft, staat naar ’s Hofs oordeel niet in de weg aan de conclusie dat belanghebbende het drukwerk heeft geleverd aan de archiefver-nietiger. De archiefvernietiger neemt als betaling voor zijn prestatie kennelijk genoegen met het ter vernietiging aange-boden drukwerk, ter-wijl overigens niet is gesteld of gebleken dat het zijn bedoeling is belanghebbende te bevoordelen.
6.3. Uit het overwogene in 6.1 volgt naar ’s Hofs oordeel dat het drukwerk, in afwijking van de aan-vankelijke bestemming, is ge-bruikt voor de levering ervan aan de archiefvernietiger. Die omstandigheid brengt naar ’s Hofs oordeel mee dat de op het druk-werk betrekking heb-bende belasting, voor zover die niet al in aftrek is gebracht, alsnog voor teruggaaf op de voet van ar-tikel 15, vierde lid, van de Wet in aanmerking komt. Daarbij neemt het Hof in aanmerking, gegeven de voorhanden zijnde fei-ten, dat het drukwerk vooraf-gaan-de aan de le-vering er-van niet al voor enig an-der doel is gebruikt – het enkel voorhanden heb-ben van het drukwerk is bezwaarlijk als bezigen in de zin van de omzetbelasting aan te merken - en dat ter zake van de le-ve-ring van het drukwerk geen van de in artikel 11 van Pro de Wet be-doelde vrij-stellingen van toepassing is.
6.4. Aan de conclusie dat het niet in af-trek gebrachte deel van de op het drukwerk betrekking hebbende belasting voor teruggaaf in aanmerking komt, doet naar ’s Hofs oordeel niet af het gege-ven dat de kos-ten van het drukwerk deel uitmaken van de alge-me-ne kosten van belanghebbendes bankbedrijf en evenmin het gege-ven dat met het vernietigen van het drukwerk in het bijzonder belanghebbendes bankbedrijf is gebaat. Voor het recht op terug-gaaf is en-kel beslissend – voor zover hier van belang - dat het drukwerk in het kader van de onderneming van belanghebbende is gebezigd en dat het drukwerk niet is ge-bezigd voor prestaties als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wet. In dit geval is aan beide voorwaarden voldaan.
6.5. Het beroep van belanghebbende is gegrond. Bij-gevolg moet wor-den be-slist als na te melden.
7. Proceskosten en griffierecht
7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van be-lang-heb-ben-de is vindt het Hof aanleiding de In-specteur op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te ver-oordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de be-han-deling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten ma-ken. De kosten stelt het Hof aan de hand van het Be-sluit pro-ceskos-ten bestuursrecht vast – conform partijen ter zitting met elkaar zijn overeengekomen - op € 1.610, te specifi-ce-ren als volgt: kos-ten ge-machtigde: 2,5 punt x € 322 met we-gings-fac-tor 2.
7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffie-recht ad € 273 te worden vergoed.
8. Beslissing
Het Gerechtshof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
- vernietigt de beschikking;
- verleent teruggaaf van € 1.045 aan belasting;
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zij-de van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.610, on-der aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechts-per-soon die de-ze kosten moet vergoeden; en
- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak ge-storte griffierecht van € 273 aan belanghebbende te ver-goeden.
De uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Beelen. De beslissing is op 20 januari 2006 in het openbaar uit-gespro-ken, in tegenwoordigheid van de griffier.
(Van der Zande) (Sanders)
Aangetekend aan
Partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uit-spraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ge-richt;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cas-satieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.