ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8676

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2200103206
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 14a Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 14b Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 14c Wetboek van StrafrechtArt. 23 Wetboek van Strafrecht (oud)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit verboden pitbull-achtige hond en bedreiging met mes

De verdachte had sinds de zomer van 2004 een hond van het type pitbull-terriër in bezit, zonder identificatiechip of tatoeagemerk, wat in strijd is met artikel 73, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Ondanks het verweer dat de verdachte niet wist dat het een pitbull-achtige hond betrof en dat de hond nooit agressief was geweest, oordeelde het hof dat de verdachte had moeten onderzoeken of het bezit was toegestaan. Daarnaast bedreigde de verdachte tijdens een ruzie het slachtoffer met een mes, wat leidde tot een vechtpartij.

Het hof verwierp het verweer van afwezigheid van alle schuld en achtte de verdachte strafbaar voor het bezit van de verboden hond en de bedreiging. De strafmotivering benadrukte het gevaar van pitbull-achtige honden en het belang van adequate bestrijding van het ongecontroleerd bezit hiervan. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, geheel voorwaardelijk opgelegd, en een geldboete van 150 euro.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd vastgesteld en de verdachte strafbaar werd verklaard. De gevangenisstraf zal niet worden uitgevoerd tenzij de verdachte binnen twee jaar opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een geldboete van 150 euro wegens het bezit van een verboden pitbull-achtige hond en bedreiging met een mes.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001032-06
Parketnummer(s): 10-702580-05
Datum uitspraak: 2 juni 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 22 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 mei 2006.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, alsmede een geldboete ter hoogte van EUR 150,=, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
De raadsman heeft ten aan zien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit gesteld, dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu zij het betreffende dier niet "voorhanden" heeft gehad. De verdachte zou over de hond geen macht of zeggenschap gehad hebben. De raadsman verwijst in dit verband naar een door hem overlegd schrijven van de heer [naam], waarin deze stelt dat niet de verdachte maar hij zelf de eigenaar van de hond was. In verband met de detentie van de heer [naam] zou de hond bij de verdachte hebben verbleven. Het hof wijst deze stelling van de raadsman van de hand. De verdachte heeft zelf verklaard (zie bewijsmiddel) dat zij de hond sinds de zomer 2004 in bezit had, dat zij deze hond ter verzorging heeft gekregen van een Marokkaanse jongen en dat zij de hond naar het asiel mocht brengen indien zij van de hond af wilde. Naar het oordeel van het hof moet op grond van deze omstandigheden worden aangenomen, dat zij over de hond zodanige macht en zeggenschap had dat gesproken kan worden van "voorhanden hebben" als bedoeld in artikel 73, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 73, tweede lid van de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Bedreiging met zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de hond nooit eerder agressief is geweest en dat de verdachte niet wist dat de hond van het type pitbull-terriër was. De verdachte dient derhalve, zo stelt de raadsman, bij afwezigheid van alle schuld te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof verwerpt dit verweer en heeft daartoe het volgende overwogen. Blijkens de verklaring van de verdachte tegenover de politie, had zij de hond sinds de zomer van 2004 in haar bezit, had de hond - voor zover zij wist - geen stamboom en betrof het een Amerikaanse Stafford (het hof begrijpt: een Amerikaanse Staffordshire Terriër). De leeftijd van de hond was haar niet bekend. Voorts heeft de verdachte verklaard, dat de hond afkomstig was van een Marokkaanse jongen, die met dit soort honden een handeltje drijft. Zij heeft eens gezien dat deze Marokkaanse jongen twee honden bewust tegen elkaar ophitste. Gelet op deze omstandigheden acht het hof een dwaling van de verdachte omtrent het verboden zijn van het voorhanden hebben van de betreffende hond, zo van zodanige dwaling al sprake is geweest, niet verontschuldigbaar. De verdachte had, voordat zij de hond onder zich nam, kunnen en moeten onderzoeken of het voorhanden hebben van deze hond toegestaan was.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voor de
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een hond, behorende tot het type pitbull-terriër, voorhanden gehad. De hond was niet voorzien van een identificatiechip, noch van een tatoeagemerk. Het is een feit van algemene bekendheid dat pitbulls en pitbullachtige honden, zeker die exemplaren die mogelijk 'doorgefokt' zijn, onberekenbaar en agressief kunnen reageren op mens en dier, meer dan eens met ernstig letsel tot gevolg. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke, door de minister aangewezen, verboden dieren dient dan ook adequaat te worden bestreden.
De verdachte heeft - bij een ruzie met het slachtoffer - een mes gepakt en met dit mes het slachtoffer bedreigd. Hierop volgde een vechtpartij. Deze wijze van optreden van de verdachte acht het hof onacceptabel. Gelet op het feit dat de verdachte degene is geweest die uiteindelijk met een hoofdwond in het ziekenhuis terecht kwam, is het hof, alles overwegend, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 23 oud, 24, 24c, 57, 63 en 285(oud) van het Wetboek van Strafrecht en artikel 73 en Pro 121 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 150,00 (honderdvijftig euro),
bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 (drie) dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. E. Bos, in bijzijn van de griffier mr. E.M.M. Koonings.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2006.
Mr. E. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.