ECLI:NL:GHSGR:2006:AX9139

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2200748305
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
  • M.J. Bax-Luhrman
  • H.W.J. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doodslag met beroep op noodweerexces in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage op 20 juni 2006 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage. De verdachte, die zich in een penitentiaire inrichting bevond, was eerder vrijgesproken van moord, maar veroordeeld voor doodslag en kreeg een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd. De verdachte had een houten balk opgepakt en deze gebruikt om het latere slachtoffer, dat hij achterna rende, meermalen op het hoofd te slaan. De verdediging voerde aan dat de verdachte handelde uit noodweer, omdat hij en zijn gezin bedreigd werden door vier mannen, waarvan één mogelijk een vuurwapen had. Het hof oordeelde echter dat de situatie van onmiddellijke dreiging al voorbij was op het moment dat de mannen wegrenden. De verdachte had zich kunnen onttrekken aan de situatie, maar koos ervoor om het slachtoffer achterna te rennen. Het hof verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, oordelend dat de verdachte niet handelde ter noodzakelijke verdediging. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en moest een schadevergoeding van EUR 6.606,86 betalen aan de benadeelde partij. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak de verdachte vrij van moord, maar bevestigde de veroordeling voor doodslag.

Uitspraak

Rolnummer: 22-007483-05
Parketnummer: 09-925853-05
Ad informandum: 09-925853-05
Datum uitspraak: 20 juni 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 juni 2006.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het primair impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord, vrijgesproken en terzake van het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten doodslag, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair impliciet primair, te weten moord, is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten doodslag, heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:
Doodslag.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft primair een beroep gedaan op noodweer en subsidiair op noodweerexces en op die grond ontslag van rechtsvervolging bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan ter verdediging van zijn eigen leven en het leven van zijn vrouw en kinderen tegen de dreiging die uitging van de vier mannen, te meer daar één van de aanvallers - het latere slachtoffer [naam] - in het bezit was van een vuurwapen, dan wel dat de verdachte goede redenen had dit aan te nemen.
Bij de beoordeling van dit beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat de verdachte van de straat een houten balk had opgepakt en dreigend met deze balk boven zijn hoofd geheven op de vier mannen was afgelopen zijn dezen ieder verschillende richtingen uitgerend. Verdachte is vervolgens achter één van deze mannen, het latere slachtoffer [naam], aangerend en heeft hem meermalen met deze balk tegen het hoofd geslagen.
Het hof overweegt als volgt. De situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan wel dreiging daartoe, waarin verdachte en zijn gezin zich volgens verdachte zouden hebben bevonden, was op het moment dat de mannen - als reactie op het opheffen van de balk door de verdachte - wegrenden reeds ten einde gekomen. Verdachte is achter één van de mannen, [slachtoffer], aangerend toen deze zich uit de voeten trachtte te maken. Ter terechtzitting heeft de verdachte gesteld dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen en dat hij [slachtoffer] achterna is gerend om zichzelf en zijn gezin te verdedigen tegen een mogelijk dreigende aanranding met dit vuurwapen. Dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen wordt door geen enkele rechtstreekse getuigenverklaring noch anderszins bevestigd. De politie heeft ook geen vuurwapen aangetroffen. Het hof is dan ook van oordeel dat de aanwezigheid van een vuurwapen niet aannemelijk is geworden.
Het hof merkt op dat de verdachte, nadat de mannen waren weggerend, zich aan de situatie had kunnen onttrekken door direct met zijn gezin de auto in te stappen en weg te rijden. De verdediging heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn leven dan wel dat van anderen door
uit eigen beweging het wegrennende latere slachtoffer achterna te rennen en terwijl deze al op de grond lag met een balk tegen het hoofd te slaan.
Onder de hiervoor geschetste omstandigheden komt het hof tot zijn oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het meermalen slaan met een balk van het slachtoffer heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf dan wel van het leven van zijn vrouw en kinderen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer dient derhalve te worden verworpen. Nu van een noodweersituatie geen sprake is geweest, gaat het beroep op noodweerexces niet op.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot vrijspraak van het primair impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord, en tot veroordeling van de verdachte terzake van het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten doodslag, tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is op klaarlichte dag een man, die hem en zijn gezin naar eigen zeggen bedreigde, achterna gerend en heeft hem ten minste twee maal met een houten balk hard op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De verdachte heeft zich dusdoende schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf en heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Als gevolg van dit misdrijf is de rechtsorde ernstig geschokt. Hij heeft daarmee groot verdriet en onherstelbaar leed voor de nabestaanden teweeggebracht, hetgeen ook onder woorden is gebracht in de ter terechtzitting in hoger beroep voorgehouden verklaring van de moeder van het slachtoffer.
Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 17 mei 2006, reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend - en in hoger beroep bevestigd - dat hij zich ook heeft schuldig gemaakt aan een ander, niet tenlastegelegd feit. Dit feit is door het openbaar ministerie onder parketnummer 09-925853-05 bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf. Het hof heeft op dit feit acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij ervan is uitgegaan dat de verdachte terzake van dat feit niet afzonderlijk zal worden vervolgd.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 6.606,86.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.
De verdachte heeft de vordering niet betwist. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.
Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 6.606,86 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten doodslag, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van
EUR 6.606,86
(ZESDUIZEND ZESHONDERDZES EURO EN ZESENTACHTIG CENT)
en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij], [adres], van een bedrag van EUR 6.606,86
(ZESDUIZEND ZESHONDERDZES EURO EN ZESENTACHTIG CENT)
voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 71 (eenenzeventig) dagen,
met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. M.J. Bax-Luhrman en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. F.J.M. Noordhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2006.
Mr. M.J. Bax-Luhrman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.