ECLI:NL:GHSGR:2006:AY0117

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2200590705
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de IdentificatieplichtArt. 14a Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 14b Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 14c Wetboek van StrafrechtArt. 23 Wetboek van Strafrecht (oud)
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens niet tonen identiteitsbewijs bij demonstratie achter Amerikaanse ambassade

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen, zoals opgelegd door artikel 2 van Pro de Wet op de Identificatieplicht. De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen deze vrijspraak.

Het hof oordeelde dat de politieambtenaar in dit geval terecht gebruik maakte van zijn beoordelingsruimte om het identiteitsbewijs te vragen, gezien de specifieke beveiligingsmaatregelen bij de achterzijde van de Amerikaanse ambassade te Den Haag. Het feit dat de verdachte demonstreerde en zijn grondrecht op vrije meningsuiting uitoefende, deed hieraan niet af; de inmenging was gerechtvaardigd en wettelijk voorzien.

Het hof verklaarde het tenlastegelegde bewezen en veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van 50 euro met een proeftijd van twee jaar, waarbij hechtenis van één dag als vervangende sanctie geldt bij niet-betaling. De eerdere vrijspraak werd vernietigd en het vonnis opnieuw vastgesteld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 50 euro wegens het niet tonen van een identiteitsbewijs bij een demonstratie.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005907-05
Parketnummer: 09-631275-05
Datum uitspraak: 4 juli 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 28 september 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 juni 2006.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsverweer
De verdediging heeft aangevoerd dat het vragen van het identiteitsbewijs in casu redelijkerwijs niet noodzakelijk was voor de uitoefening van een politietaak.
Het hof stelt voorop dat een individuele politieambtenaar een eigen beoordelingsruimte toekomt bij de vraag of hij/zij in het concrete geval de bevoegdheid heeft iemand te vragen naar zijn identiteitsbewijs.
Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat ter plaatse - te weten de achterzijde van de Amerikaanse ambassade te Den Haag - specifieke beveiligingsmaatregelen zijn genomen. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheid voldoende was om de gewraakte vordering te doen.
Aan het bovenstaande doet niet af dat de verdachte demonstreerde, alsmede gebruik maakte van zijn grondrecht op vrije meningsuiting. Het betreft in dit geval en onder de geschetste omstandigheid immers een gerechtvaardigde inmenging op grondrechten die uitdrukkelijk bij - formele - wet is voorzien.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat het niet melden van de demonstratie niet leidt tot de constatering dat de verdachte onrechtmatig handelde.
Het hof merkt ten aanzien hiervan op dat niet op die grond naar het identiteitsbewijs van de verdachte is gevraagd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het bewezenverklaarde:
Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van Pro de Wet op de Identificatieplicht.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het tenlastegelegde tot een geldboete van EUR 50,00, subsidiair één dag hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Het hof ziet geen reden om af te wijken van de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke geldboete.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24, 24c en 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 op Pro de Wet op de Identificatieplicht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 50,00 (vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 (één) dag.
Beveelt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,
mr. A.J.M. Kaptein en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 juli 2006.
Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.