ECLI:NL:GHSGR:2006:AY3631
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Gerretsen-Visser
- Labohm
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Nietigheid overeenkomst afstand kinderalimentatie en vaststelling alimentatieplicht vader
De vader en moeder hadden in 2002 een overeenkomst gesloten waarbij de moeder afstand deed van kinderalimentatie en de vader afstand deed van omgang met het kind. De moeder vroeg in 2005 bij de rechtbank om vaststelling van een kinderalimentatiebijdrage van €175 per maand vanaf 1 september 2004. De rechtbank wees dit toe, maar de vader ging in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de overeenkomst waarbij afstand werd gedaan van kinderalimentatie nietig is op grond van artikel 1:400 lid 2 BW Pro, omdat van het wettelijk verschuldigde levensonderhoud niet kan worden afgezien. De moeder kan dus op elk moment alimentatie vorderen. De vader had de behoefte aan alimentatie en zijn draagkracht niet gemotiveerd betwist.
De vader stelde dat de alimentatie met ingang van 1 september 2004 moest ingaan, maar het hof stelde vast dat de moeder haar verzoekschrift pas op 13 mei 2005 indiende en vanaf dat moment ondubbelzinnig aanspraak maakte op alimentatie. Daarom werd de ingangsdatum van de alimentatie vastgesteld op 13 mei 2005. De rest van de vorderingen van de vader werden afgewezen.
Uitkomst: De vader is verplicht kinderalimentatie te betalen vanaf 13 mei 2005; afstand van alimentatie is nietig.