ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4862
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In 't Velt-Meijer
- M.J. van der Ven
- T.L. Tan
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep loonvordering na ontslag op staande voet zonder deskundigenverklaring
De werknemer trad op 18 maart 2002 in dienst bij de werkgever als all-round timmerman op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarvan de laatste inging op 18 september 2002 voor zes weken. De werknemer werkte voor het laatst op 4 of 7 oktober 2002 en meldde zich op 8 oktober 2002 ziek, hetgeen door de werkgever werd betwist.
Op 22 oktober 2002 werd de arbeidsovereenkomst door de werkgever niet verlengd en op 23 oktober 2002 werd de werknemer ontslagen, waarbij de werknemer de nietigheid van het ontslag betwistte. De werknemer vorderde loonbetaling van 7 oktober 2002 tot en met 31 maart 2003, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
De rechtbank wees de vordering af omdat de werknemer niet verscheen, geen aannemelijke verklaring gaf voor zijn afwezigheid en de ontslagbrief niet had afgehaald. In hoger beroep stelde het hof vast dat de loonvordering over de periode na 7 oktober 2002 moest worden afgewezen wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring zoals vereist door artikel 7:629a BW. Daarnaast kon de werknemer onvoldoende bewijs leveren dat hij op 7 oktober 2002 had gewerkt, zodat ook die loonvordering faalde.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank onder verbetering van gronden en veroordeelde de werknemer in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring en onvoldoende bewijs van gewerkte dagen.