ECLI:NL:GHSGR:2006:AY4866
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- A.A. Schuering
- J.W. van Rijkom
- Rechtspraak.nl
Ontslag zonder afvloeiingsregeling niet kennelijk onredelijk verklaard
Werknemer was sinds 25 maart 1991 in dienst bij werkgever, die haar bedrijfsactiviteiten per 1 juli 2003 staakte. Werkgever vroeg een ontslagvergunning aan wegens bedrijfsbeëindiging en zegde het dienstverband op per 30 september 2003. Werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege het ontbreken van een afvloeiingsregeling, zijn lange dienstverband, slechte positie op de arbeidsmarkt en het feit dat het bedrijfsrisico bij werkgever lag.
De rechtbank oordeelde eerder dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. In hoger beroep betoogde werknemer dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening hield met zijn elf jaar onregelmatige werkzaamheden voorafgaand aan het dienstverband en dat werkgever onvoldoende had aangetoond dat geen middelen voor een afvloeiingsregeling beschikbaar waren.
Het hof verwierp deze grieven. De onregelmatige werkzaamheden konden niet worden meegeteld voor de duur van het dienstverband. Uit een financieel verslag bleek dat het eigen vermogen van werkgever was verdwenen en dat er geen middelen waren voor een afvloeiingsregeling. Het hof vond het ontslag zonder afvloeiingsregeling niet kennelijk onredelijk, mede gelet op de omstandigheden in onderling verband.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde werknemer in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het ontslag zonder afvloeiingsregeling is niet kennelijk onredelijk verklaard en het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd.