ECLI:NL:GHSGR:2006:AY6471

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
320-H-06
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Husson
  • Stille
  • Gerretsen-Visser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 1 RvArt. 230 lid 3 RvArt. 805 lid 2 RvArt. 358 lid 2 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding wettelijke termijn ondanks procedurele bezwaren

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 2005. Zij stelde dat de beroepstermijn niet correct was gestart omdat zij niet tijdig was geïnformeerd over de nieuwe uitspraakdatum, de beschikking niet tijdig was ondertekend door de rechter en griffier, en dat de termijn en wijze van hoger beroep niet in de beschikking waren vermeld.

Het hof oordeelde dat geen wettelijke grond bestond om de beroepstermijn te laten starten op een latere datum dan de uitspraakdatum, ook niet als partijen niet van de aanhouding waren geïnformeerd. Evenmin was vereist dat de beschikking door zowel rechter als griffier was ondertekend voor rechtskracht. De vermelding van de termijn en wijze van hoger beroep in de beschikking was niet verplicht, mede omdat de rechtbank standaard deze informatie in een begeleidende brief verstrekte.

Het hof concludeerde dat het hoger beroep te laat was ingesteld, aangezien de termijn van drie maanden na uitspraak was verstreken op 13 maart 2006, terwijl het beroepschrift pas op 14 maart 2006 was ingediend. Daarom werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 31 mei 2006
Rekestnummer. : 320-H-06
Rekestnr. rechtbank : 05-2064
Lalla Hayat CHERIF D’OUEZZANE,
wonende te ‘s-Gravenhage,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. L.M. Bruins,
tegen
Marinus Catharinus DEN BOER,
wonende te ‘s-Gravenhage,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. E.M.H. Alkemade.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 14 maart 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 12 december 2005.
Op 3 mei 2006 is de ontvankelijkheid van het beroep mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vrouw, mr. M. Kaouass, en de procureur van de man. De raadslieden van partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw het navolgende aangevoerd. Hij stelt dat de rechtbank heeft verzuimd partijen ervan op de hoogte te stellen dat de uitspraakdatum werd aangehouden en dat de nieuwe uitspraakdatum 12 december 2005 zou worden. In de optiek van de vrouw betekent dit dat zij op 12 december 2005 geen kennis heeft kunnen nemen van de beschikking en dat derhalve de datum van de afgifte van de beschikking, te weten 15 december 2005, als ingangsdatum voor de termijn van hoger beroep heeft te gelden.
2. Voorts stelt de advocaat van de vrouw dat verzuimd is de beschikking zowel door de rechter als door de griffier te laten ondertekenen en dat de beschikking op grond van artikel 287 lid 1 Rv Pro jo. 230 lid 3 Rv derhalve geen rechtskracht heeft gekregen. Eerst op 15 december 2005 is de beschikking door een griffier ondertekend, zodat de beschikking op deze datum rechtskracht heeft gekregen.
3. Verder stelt de advocaat van de vrouw dat de rechtbank heeft verzuimd om op de beschikking te vermelden binnen welke termijn en de wijze waarop hoger beroep kan worden ingesteld, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 805 lid 2 Rv Pro. Ter onderbouwing van zijn stelling, haalt de advocaat van de vrouw een uitspraak van de Hoge Raad aan van 28 november 2003, NJ 465.
4. Ten aanzien van de stelling van de vrouw, zoals verwoord in rechtsoverweging 1 van deze beschikking, oordeelt het hof dat in de wet geen steun voor haar stelling is te vinden. Uit niets blijkt dat indien partijen niet van een aanhouding van de uitspraakdatum door een rechterlijke instantie op de hoogte worden gesteld, dat tot gevolg heeft dat de beroepstermijn pas ingaat op het moment van afgifte van de uitspraak. Het hof passeert derhalve deze stelling.
5. Voorts is het hof van oordeel dat uit artikel 230 lid 3 Rv Pro, noch anderszins uit de wet blijkt, dat een beschikking pas rechtskracht krijgt als deze door zowel de rechter als door de griffier is ondertekend. Ook deze stelling kan niet leiden tot de conclusie dat de beroepstermijn pas op 15 december 2005 is gaan lopen.
6. Het hof oordeelt ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de rechtbank in strijd met artikel 805 lid 2 Rv Pro heeft verzuimd in de beschikking te vermelden binnen welke termijn en de wijze waarop hoger beroep kan worden ingesteld, als volgt. Vooropgesteld moet worden dat de wet geen gevolgen verbindt aan het achterwege laten van de hier bedoelde vermelding. Voorts is aan het hof ambtshalve bekend dat de rechtbank te ’s-Gravenhage in echtscheidingzaken bij verzending van de echtscheidingsbeschikking aan de procureurs van partijen in haar begeleidende brief bij die beschikking standaard opneemt op welke wijze en binnen welke termijn hoger beroep kan worden ingesteld. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van de begeleidende brief van de rechtbank bij de echtscheidingsbeschikking, dat de rechtbank zulks heeft verzuimd. Mitsdien zal het hof de stellingen van de vrouw te dien aanzien verwerpen.
7. Het vorenoverwogene leidt tot de volgende conclusie. Het beroepschrift, dat bij het hof is ingekomen op 14 maart 2006, richt zich tegen een beschikking van 12 december 2005. Ingevolge artikel 358 lid 2 Rv Pro was de termijn waarbinnen hoger beroep tegen die beschikking kon worden ingesteld op het moment van indiening van het beroepschrift reeds verstreken. Nu de vrouw in eerste aanleg is verschenen had het beroep immers ingesteld moeten worden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. De termijn voor hoger beroep eindigde op zondag 12 maart 2006. De laatste dag van de hoger beroepstermijn was derhalve 13 maart 2006 en het beroep is derhalve te laat ingesteld, zodat de vrouw daarin niet-ontvankelijk is.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Stille en Gerretsen-Visser, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2006.