ECLI:NL:GHSGR:2006:AY9778
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Tijnagel
- Van Walderveen
- Pijl
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van tax sparing credit en vrijheid van kapitaalverkeer in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, ontving in 2001 rente van Belgische vennootschappen zonder dat daarover Belgische bronbelasting werd geheven. Zij vorderde een tax sparing credit op grond van verdragen met Brazilië en Griekenland, die door de Inspecteur werden afgewezen. Het geschil betrof de vraag of het weigeren van deze credit in strijd was met de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 56 EG Pro.
Het Hof onderzocht de verdragsbepalingen en concludeerde dat het recht op tax sparing credit gekoppeld is aan het heffingsrecht van de bronstaat. Omdat België op grond van het verdrag Nederland-België geen heffingsrecht heeft op de betreffende interest, bestaat geen recht op tax sparing credit zoals in het verdrag met Brazilië. Het Hof benadrukte dat verdragen een complex van wederzijdse rechten en verplichtingen vormen en dat het loskoppelen van onderdelen hiervan het evenwicht zou verstoren.
Verder oordeelde het Hof dat ook het verdrag met Griekenland een eigen regeling kent die niet zonder meer toepasbaar is op Belgische interest. Aangezien de Belgische niet-heffing niet gebaseerd is op stimuleringsmaatregelen zoals in Griekenland, is er geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op tax sparing credit voor Belgische rente wordt ongegrond verklaard.