ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2086
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Reinking
- Labohm
- Kamminga
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlands recht op echtscheiding en niet-ontvankelijkheid partneralimentatieverzoek
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake een verzoek tot echtscheiding en partneralimentatie tussen een man en een vrouw, beiden van Iraanse nationaliteit. De man betwistte de toepasselijkheid van Nederlands recht op de echtscheiding en voerde aan dat het Iraanse recht van toepassing zou moeten zijn. Het hof bevestigde echter dat de vrouw geen werkelijke maatschappelijke band meer heeft met Iran, gezien haar langdurig verblijf, studie en werk in Nederland, en het ontbreken van intentie om terug te keren naar Iran.
Op grond van artikel 1 lid 2 van Pro de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (WCE) is het gemeenschappelijk nationale recht (Iraans) opzij gezet en is Nederlands recht van toepassing verklaard. De echtscheiding wordt daarom bekrachtigd volgens Nederlands recht. De vrouw heeft haar verzoek tot partneralimentatie ingetrokken, waardoor dit verzoek niet-ontvankelijk is verklaard en de eerdere beschikking hierover wordt vernietigd.
Het hof wijst het hoger beroep van de man af voor zover hij meer of anders verzoekt dan hierboven vermeld. De beschikking wordt dus bevestigd voor de echtscheiding en vernietigd voor de partneralimentatie, waarbij de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot alimentatie.
Uitkomst: Nederlands recht is van toepassing op de echtscheiding en het partneralimentatieverzoek van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard.