ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2937
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Tanja-van den Broek
- Reinking
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake erkenning buitenlandse adoptie van minderjarige kinderen
In deze zaak staat de erkenning van een buitenlandse adoptie van drie minderjarige kinderen centraal. De man, verzoeker in hoger beroep, betwistte de toepassing van de Uitvoeringswet Adoptieverdrag 1993 door de rechtbank en stelde dat de adoptie volgens het ongeschreven recht erkend moet worden omdat Turkije destijds geen partij was bij het verdrag. Hij voerde aan dat aan de voorwaarden voor een behoorlijke adoptieprocedure was voldaan, waaronder instemming van alle betrokkenen.
De advocaat-generaal en het hof oordeelden echter dat het tijdstip van het verzoek tot erkenning bepalend is en dat het verdrag toen wel van toepassing was. Bovendien bleek uit de stukken onvoldoende dat de biologische ouders, met name de moeder, geestelijk ongeschikt waren om voor de kinderen te zorgen. De adoptieprocedure vertoonde lacunes en de vereiste schriftelijke verklaring van de Turkse autoriteit ontbrak.
Het hof concludeerde dat de adoptie niet erkend kan worden en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Rotterdam die het verzoek tot erkenning had afgewezen. De minderjarige kinderen verblijven inmiddels in Nederland, maar de juridische erkenning van de adoptie blijft uit.
De uitspraak benadrukt het belang van de juiste toepassing van internationale verdragen en nationale wetgeving bij erkenning van buitenlandse adopties, evenals de noodzaak van voldoende waarborgen in de adoptieprocedure.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de erkenning van de buitenlandse adoptie wegens onvoldoende bewijs en ontbrekende schriftelijke verklaring.