ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3657

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
491-R-06
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Gerretsen-Visser
  • Husson
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:266 BWArt. 1:268 lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontheffing ouderlijk gezag moeder wegens ongeschiktheid en onmacht

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank waarin zij ontheven werd uit het ouderlijk gezag over haar kind. De moeder betwistte dat zij zich niet tegen de ontheffing zou verzetten en stelde dat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor ontheffing op grond van artikel 1:268 lid 2 sub a BW Pro.

Tijdens de mondelinge behandeling waren de advocaat van de moeder, de vader, vertegenwoordigers van Jeugdzorg en de pleegouders aanwezig. De moeder en de raad voor de kinderbescherming waren niet aanwezig. De vader en pleegouders verklaarden dat het kind het goed heeft bij de pleegouders en zich daar heeft gehecht. Jeugdzorg gaf aan dat contact met de moeder moeilijk is en dat zij afspraken niet nakomt.

Het hof oordeelde dat het kind langer dan zes maanden onder toezicht is gesteld en langer dan een jaar en zes maanden uit huis geplaatst is. Gezien de achtergrond en problematiek van de moeder, waaronder haar onbereikbaarheid en onbeschikbaarheid, is zij ongeschikt en onmachtig om haar opvoedingsplicht te vervullen. De maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is onvoldoende om de dreiging voor het kind af te wenden. De ontheffing van het gezag is daarom in het belang van het kind noodzakelijk.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over het kind wegens haar ongeschiktheid en onmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 8 november 2006
Rekestnummer. : 491-R-06
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-2400
[de moeder]
wonende te Rotterdam,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur voorheen mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk,
tegen
de raad voor de kinderbescherming,
vestiging Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. [de vader],
wonende te Schiedam,
hierna te noemen: de vader,
2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,
kantoor houdende te Rotterdam,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 13 april 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 januari 2006 van de rechtbank te Rotterdam.
De raad heeft geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 22 mei 2006 aanvullende stukken ingekomen.
Op 18 oktober 2006 is de zaak, tezamen met de zaak met rekestnummer 661-R-06 (betreffende de omgangsregeling) mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de moeder, mr. R.F. Nelisse, de vader, namens Jeugdzorg: de heer W. Boer en mevrouw M. Schippers en de pleegouders. De moeder en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de moeder is ontheven uit het ouderlijk gezag over [het kind] en de vader is belast met het ouderlijk gezag over [het kind].
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de ontheffing van het gezag over [het kind, geboren in], verder: [het kind], van de moeder. Voordien had de moeder alleen het ouderlijk gezag over [het kind].
2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover dit betreft de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over [het kind] en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek alsnog af te wijzen.
3. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij zich niet verzet tegen de ontheffing van het ouderlijk gezag. Zij verzet zich hier wel tegen. Zij heeft ter zitting slechts aangegeven dat zij zich erin kan vinden als de vader mede wordt belast met het ouderlijk gezag over [het kind]. Voorts stelt zij dat niet is voldaan de vereisten van artikel 1:268 lid 2 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Gesteld noch gebleken is dat gegronde vrees bestaat dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing – door ongeschiktheid of onmacht van haar om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW Pro af te wenden. Zij had derhalve niet uit het ouderlijk gezag ontheven mogen worden. Dit geldt te meer nu gedwongen ontheffing niet mogelijk is, nu zij bereid is [het kind] bij zijn grootouders te laten.
4. De vader en de pleegouders hebben ter terechtzitting van het hof verklaard dat het met [het kind] erg goed gaat bij de pleegouders en dat [het kind] zich daar heeft gehecht.
5. Jeugdzorg heeft – kort samengevat – verklaard dat zij zeer moeilijk contact kan krijgen met de moeder en dat de moeder veelvuldig afspraken niet nakomt.
6. Het hof overweegt het volgende. Nu de moeder zich tegen de verzochte ontheffing verzet, zal het hof het ontheffingsverzoek beoordelen in het licht van artikel 1:268 lid 2 sub a BW Pro jo. artikel 1:266 BW Pro. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [het kind] voor een periode van langer dan zes maanden onder toezicht is gesteld en voor een periode van langer dan een jaar en zes maanden uit huis is geplaatst. Voorts is gebleken dat de moeder, gelet op haar geschiedenis, achtergrond en problematiek, waarbij het niet bereikbaar en beschikbaar zijn voor haar omgeving een grote rol speelt, ongeschikt althans onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het hof acht, op grond van het voorgaande, de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing door de ongeschiktheid en de onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [het kind] te vervullen onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW Pro af te wenden. Het hof is van oordeel dat de verderstrekkende maatregel van ontheffing van de moeder in het belang van [het kind] noodzakelijk is. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.
7. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerretsen-Visser, Husson en Van Leuven, bijgestaan door mr. Janssen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2006.