ECLI:NL:GHSGR:2007:BA2138
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Tanja van den Broek
- Van Nievelt
- Reinking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid LBIO en toepassing Verdrag van New York bij vaststelling kinderalimentatie en omgang
In deze zaak staat centraal de vraag of het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) bevoegd is om namens een in het buitenland woonachtige onderhoudsgerechtigde een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie in te dienen op grond van het Verdrag van New York uit 1956. De vader betwist de ontvankelijkheid van het LBIO en voert onder meer aan dat het verzoek niet op het Verdrag, maar op een voogdijconvenant berust, dat hij niet heeft ondertekend.
De rechtbank had eerder een kinderalimentatie vastgesteld met verschillende maandbedragen over de jaren 2002 tot en met 2006. De vader stelt diverse grieven in hoger beroep, waaronder de ontvankelijkheid van het LBIO, de toepasselijkheid van het buitenlandse recht, de hoogte en ingangsdatum van de alimentatie, en het ontbreken van een betalingsregeling.
Het hof constateert dat er onduidelijkheid bestaat over de juiste interpretatie van de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van New York en de toepassing van het buitenlandse recht, met name de [buitenlandse] wet “The Code of Parenthood and Guardianship”. Daarom besluit het hof de zaak aan te houden en het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage te verzoeken om schriftelijke beantwoording van gerichte vragen over de bevoegdheid van het LBIO, de betekenis van de relevante artikelen van het Verdrag en de toepassing van het buitenlandse recht op omgang en onderhoud.
De zaak wordt aangehouden tot de zitting van 28 augustus 2007, waarbij het hof een nieuwe behandeldatum zal bepalen na ontvangst van het advies van het Internationaal Juridisch Instituut.
Uitkomst: De zaak is aangehouden en het Internationaal Juridisch Instituut wordt verzocht advies uit te brengen over de bevoegdheid van het LBIO en de toepassing van het Verdrag en het buitenlandse recht.