ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3319

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-006582-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.J. Wurzer
  • C.M.P. Flint-Van Noort
  • D. Jalink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens ongeloofwaardigheid getuigenverklaringen en gebrek aan bewijs in moordzaak

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in hoger beroep de verdachte vrijgesproken van medeplegen van moord. De zaak kwam na verwijzing door de Hoge Raad opnieuw aan de orde, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank vernietigde.

De vrijspraak is gebaseerd op het oordeel dat de verklaringen van twee belangrijke getuigen, die zichzelf meldden en belastende verklaringen aflegden, onvoldoende geloofwaardig zijn. Beide getuigen waren niet als verdachte aangemerkt ondanks hun bekentenissen, wat het hof aanleiding gaf tot grote terughoudendheid bij het waarderen van hun verklaringen.

Daarnaast was er geen aanvullend bewijs dat het tenlastegelegde overtuigend ondersteunde. Het hof concludeerde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en sprak de verdachte daarom vrij. Het vonnis werd uitgesproken op 28 februari 2007 door een meervoudige kamer van het gerechtshof.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rolnummer: 22-006582-05
Parketnummer: 13-124134-02
Datum uitspraak: 28 februari 2007
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 1 augustus 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
ten tijde van het onderzoek ter terechtzittingen van het hof gedetineerd te [detentie-adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden op 1 november 2005 - het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 en 14 februari 2007.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het tenlastegelegde (als medeplegen van moord) tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het beslag.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde (als medeplegen van moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het beslag als nader in het vonnis omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het volgende.
Voor de beantwoording van de bewijsvraag is uit een oogpunt van overtuiging van doorslaggevend belang of de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] geloofwaardig zijn.
Nadat [getuige 1] zichzelf had gemeld bij de politie (enige maanden na het onderhavige feit en wetende dat er een beloning was uitgeloofd) was vóór zijn allereerste verhoor door de recherche al duidelijk dat hij zou gaan verklaren een wapen te hebben afgeleverd. Desondanks is hij niet als verdachte aangemerkt, ook niet nadat hij in het verhoor had bekend een vuurwapen te hebben geleverd dat - naar zijn eigen zeggen - het vuurwapen was dat bij het tenlastegelegde feit was gebruikt. Ook de nadien gehoorde [getuige 2] - die bij de levering van het betreffende wapen was betrokken - bekende de levering, maar is noch bij dat verhoor noch nadien als verdachte aangemerkt.
Dat beiden niet op enig moment als verdachte zijn aangemerkt - noch van overtreding van de Wet wapens en munitie noch van enige vorm van deelneming aan het tenlastegelegde feit - roept uitdrukkelijk vraagtekens op, met name met betrekking tot de vraag of politie/justitie Amsterdam bij betrokkene telkens expliciet dan wel impliciet de verwachting hebben gewekt dat hij - ofschoon hij had bekend een ernstig misdrijf te hebben gepleegd, maar als tegenprestatie voor het afleggen van een verklaring - niet als verdachte zou worden aangemerkt. De uitleg die op dit punt zijdens het openbaar ministerie is gegeven heeft die vraagtekens niet kunnen wegnemen en noopt het hof ertoe voor wat betreft de verklaringen van deze getuigen de uiterste behoedzaamheid te betrachten.
Het hof heeft daarenboven acht geslagen op de wijze waarop bij het tot stand komen van bovengenoemde belastende verklaringen door de verbalisanten gebruik is gemaakt van foto's en de door hen gehanteerde min of meer leidende vraagstelling bij de verhoren.
Bij deze stand van zaken is het hof per saldo onvoldoende overtuigd van de geloofwaardigheid van de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zodat deze verder buiten beschouwing zullen worden gelaten.
Nu het onderzoek ter terechtzitting overigens onvoldoende bewijs voor het tenlastegelegde heeft opgeleverd, zal verdachte worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. C.M.P. Flint-Van Noort en mr. D. Jalink, in bijzijn van de griffier mr. I. Appel.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 februari 2007.