ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3502

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1138-H-06
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Reinking
  • van Leuven
  • van der Burght
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks eerdere erkenning door dezelfde vader

In deze zaak stond centraal of een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap mogelijk is wanneer het kind reeds door dezelfde vader is erkend. De rechtbank had dit verzoek afgewezen op grond van artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro, omdat het kind al twee ouders heeft. De moeder ging hiertegen in hoger beroep.

De moeder stelde dat het belang van het kind onvoldoende was meegewogen, vooral omdat het kind niet automatisch de Nederlandse nationaliteit had verkregen en onder het vreemdelingenbeleid viel. Ook speelde de ernstige ziekte van de vader een rol in het verzoek.

Het hof oordeelde dat artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro niet in de weg staat aan de vaststelling van het vaderschap in deze bijzondere situatie. Er is geen risico dat het kind meer dan twee ouders krijgt en er is geen reden om aan het vaderschap te twijfelen. Het hof wees het verzoek toe zonder DNA-onderzoek, gelijk aan de eerdere vaststelling van het vaderschap van de oudere zus.

De beslissing bevestigt het belang van het kind en voorkomt onaanvaardbare verschillen tussen de kinderen van partijen.

Uitkomst: Het hof stelde het vaderschap van de man over het kind vast ondanks eerdere erkenning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 28 maart 2007
Rekestnummer. : 1138-H-06
Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5914
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. F. Arslan.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. mr. I. van Santbrink,
in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de hierna te noemen minderjarige:
[de minderjarige],
kantoorhoudende te Delft,
hierna te noemen: de bijzonder curator,
2. [de man],
wonende te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de man.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 21 augustus 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 22 mei 2006.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 11 september 2006 en op 18 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.
Op 7 maart 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, de bijzonder curator en de man. De moeder, haar advocaat, de bijzonder curator en de man hebben het woord gevoerd.
VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap betreffende [de minderjarige], afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de vaststelling van het vaderschap van de man over [de minderjarige], geboren [in] 2004, verder: [de minderjarige]. [De minderjarige] is door de man erkend. De ouders zijn op [in] 2005 gehuwd.
2. De moeder verzoekt het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen en met handhaving van al het overige en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [de minderjarige] vast te stellen.
3. Ter toelichting op haar hoger beroep voert de moeder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar verzoek om de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet voor inwilliging in aanmerking komt wat betreft [de minderjarige]. De moeder meent dat de belangen van [de minderjarige] niet voldoende zijn afgewogen. Voorts heeft de rechtbank geen rekening gehouden met het persoonlijk belang van partijen bij het afwijzen van het verzoek. [de minderjarige] heeft baat en belang bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door de man. Zij heeft - in tegenstelling tot haar [oudere zus] - niet de Nederlandse nationaliteit en valt momenteel onder het vreemdelingenbeleid. Zij wordt als vreemdelinge geregistreerd, waarbij het risico aanwezig is dat zij Nederland zal worden uitgezet. Haar rechten zijn beperkt. Verder spelen de voor partijen onduidelijke regelgeving alsmede erfrechtelijke aanspraken een rol, nu de man ernstig ziek is. Ook is er volgens de moeder in deze situatie een onaanvaardbaar onderscheid tussen de andere kinderen van partijen en [de minderjarige].
4. De bijzonder curator heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek van de moeder.
5. In dit geding staat de vraag centraal of, indien een kind erkend is, die erkenning door een vader van zijn kind aan een later verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde vader in de weg staat. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord omdat in artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro is bepaald dat vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft en daarvan in de onderhavige situatie sprake is omdat [de minderjarige] reeds erkend is door de man. Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat het gaat om dezelfde
vader.
6. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro in dit geval niet in de weg staat aan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Weliswaar houdt de tekst van artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro in dat de gerechtelijke vaststelling is uitgesloten wanneer een kind reeds is erkend, maar de strekking daarvan is dat moet worden voorkomen dat een kind tot meer dan twee personen in familierechtelijke betrekking komt te staan. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat een gerechtelijke vaststelling in situaties als de onderhavige niet mogelijk zou zijn.
7. [De minderjarige] heeft belang bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap omdat de vader haar eerst na haar geboorte heeft erkend en de Nederlandse nationaliteit in dat geval niet van rechtswege wordt verkregen.
8. Niet ter discussie staat dat de man de verwekker is van [de minderjarige]. De man is later in het huwelijk getreden met haar moeder. De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 mei 2006 het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap van de man over [de oudere] zus van [de minderjarige]) - zonder het gelasten van een DNA-onderzoek - toegewezen. Nu de moeder vaststelling van het vaderschap van de man over [de minderjarige] heeft verzocht, de bijzonder curator dat verzoek heeft overgenomen, de man dit verzoek niet heeft weersproken en overigens van enig beletsel als bedoeld in artikel 1:207 lid 2 BW Pro niet is gebleken, zal het verzoek met betrekking tot [de minderjarige] worden toegewezen. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de rechtbank het bij de vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van Miselle niet nodig heeft geacht om een DNA-onderzoek bij hem te laten uitvoeren. Het hof acht het in dit specifieke geval, waarbij geen enkele reden is om te twijfelen aan het verwekkerschap van de man en de mogelijkheid tot misbruik naar het oordeel van het hof niet aan de orde is, niet gewenst dat ten aanzien van [de minderjarige] een andere weg wordt bewandeld dan de rechtbank ten aanzien van haar [zus] heeft gedaan.
9. Mitsdien moet beslist worden als volgt.
BESLISSING
Het hof:
stelt vast het vaderschap van:
[de man], geboren [in] 1961 te [woonplaats],
als vader van:
[de minderjarige], geboren [in] 2004 te [woonplaats].
Deze beschikking is gegeven door mrs. Reinking, van Leuven en van der Burght, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2007.