ECLI:NL:GHSGR:2007:BA5781
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- C.G. Beyer-Lazonder
- J.W. van Rijkom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfsbeëindiging zonder afvloeiingsregeling
Werknemer was sinds 1977 in dienst bij De Boer, een groothandel in aardappelen, groenten en fruit, die haar activiteiten per 23 juni 2003 staakte wegens aanhoudende verliezen. De Boer heeft werknemer bij brief geïnformeerd over de bedrijfsbeëindiging en het voornemen tot ontslag. Tevens werd een oriënterend gesprek met een andere onderneming, AGF Siere B.V., voorgesteld, maar werknemer ging hier niet op in.
Werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege het ontbreken van een afvloeiingsregeling, terwijl De Boer volgens hem wel over middelen beschikte, mede door transacties binnen een fiscale eenheid. De rechtbank oordeelde echter dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en wees de vorderingen af.
In hoger beroep bevestigde het hof dat de reguliere bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk waren beëindigd en dat het ontslag daarom niet op een valse reden berustte. Het hof oordeelde dat De Boer onvoldoende financiële middelen had voor een afvloeiingsregeling en dat de middelen van andere ondernemingen binnen de fiscale eenheid niet relevant waren. Daarnaast was er een serieus aanbod voor een oriënterend gesprek bij Siere B.V., wat werknemer niet heeft benut.
Het hof concludeerde dat de bedrijfsbeëindiging gerechtvaardigd was, De Boer zich inspande voor herplaatsing en dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. De grieven van werknemer werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontslag wegens bedrijfsbeëindiging is niet kennelijk onredelijk verklaard en het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd.