ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6752
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.A. Schuering
- C.G. Beyer-Lazonder
- J.W. van Rijkom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing kennelijk onredelijk ontslag bij bedrijfsbeëindiging
De werknemer trad in 1988 in dienst bij een bloementeeltbedrijf en werd per 1 januari 2004 ontslagen na toestemming van het CWI vanwege bedrijfsbeëindiging. Hij vorderde een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, gebaseerd op een berekening volgens de kantonrechtersformule.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de werkgever vrij is te kiezen tussen een ontslagvergunning via het CWI en een ontbindingsprocedure bij de rechtbank, en dat het ontbreken van een vergoeding gelijk aan de kantonrechtersformule bij een opzegging via het CWI niet automatisch leidt tot kennelijk onredelijk ontslag.
Verder stelde het hof vast dat de werkgever een langere opzegtermijn in acht nam, ondersteuning bij het vinden van ander werk bood, en een vergoeding van €400 per gewerkt jaar aanbood, welke de werknemer afwees. Gezien deze omstandigheden waren de gevolgen van het ontslag niet te ernstig in verhouding tot het belang van de werkgever, zodat het ontslag niet kennelijk onredelijk was.
De vordering werd afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is en wijst de vordering tot vergoeding af.