ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0962
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Tanja-van den Broek
- Reinking
- Van Leuven
- Rechtspraak.nl
Vergoeding voor huishoudelijke arbeid in nalatenschap op grond van artikel 4:36 BW
Verzoekster vordert een billijke vergoeding op grond van artikel 4:36 BW Pro voor arbeid die zij heeft verricht in het huishouden van haar ouders tussen 1997 en 20 mei 2003, de dag van het overlijden van haar moeder. Het hof stelt vast dat verzoekster arbeid heeft verricht, maar niet in de door haar gestelde omvang van 36 uur per week. Op basis van getuigenverklaringen wordt de arbeid vastgesteld op twee ochtenden per week, waarbij rekening wordt gehouden met medische beperkingen van de ouders en de noodzaak van thuishulp.
Het hof weegt mee dat verzoekster door haar werkzaamheden beperkt was in het verrichten van elders betaalde arbeid en dat zij geen passende beloning heeft ontvangen, afgezien van een bedrag van € 250,-. De vordering tot vergoeding van reiskosten wordt afgewezen omdat artikel 4:36 BW Pro alleen betrekking heeft op arbeidsbeloning.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 15 februari 2004, omdat verzoekster tijdig heeft gesommeerd en verweerders in verzuim zijn gebleven. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Het hof veroordeelt verweerders tot betaling van een bedrag van € 4.210,- ieder, vermeerderd met rente.
Uitkomst: Verweerders worden veroordeeld tot betaling van € 4.210,- elk aan verzoekster, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 februari 2004.