ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2651
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S.C.H. Koning
- C.G.M. van Rijnberk
- G.J. Fleers
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs onjuiste suppletie-aangifte en niet-ontvankelijkheid OM voor medegepleegd feit
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor meerdere feiten, waaronder medewerking aan onjuiste suppletie-aangiften. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor feit 1 vanwege het gelijkheidsbeginsel, omdat de belastingplichtige niet werd vervolgd. Het hof oordeelde dat het OM inderdaad niet-ontvankelijk was voor dit feit.
Voor feit 6, de onjuiste suppletie-aangifte, stelde de verdediging overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM Pro aan de orde, maar dit werd door het hof afgewezen omdat de termijnoverschrijding niet ernstig genoeg was. Na uitvoerig onderzoek door politie en FIOD bleek er geen overtuigend bewijs dat verdachte zelf de onjuiste aangifte had gedaan of daarvan kennis had gedragen. Ook was er geen cultuur of structuur binnen zijn onderneming die strafbare feiten faciliteerde.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrekking had op de feiten waartegen hoger beroep was ingesteld, verklaarde het OM niet-ontvankelijk voor feit 1 en sprak verdachte vrij van feit 6 wegens gebrek aan bewijs. Hiermee werd het vonnis van de rechtbank op deze punten gewijzigd.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van het doen of kennen van onjuiste suppletie-aangifte en het OM is niet-ontvankelijk verklaard voor medegepleegd feit.