ECLI:NL:GHSGR:2007:BB3715

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
113-R-06
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Stille
  • Dusamos
  • Reinking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377f BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling vader met kind zonder erkenning niet in strijd met belang kind

In deze zaak staat de omgang tussen een vader en zijn minderjarige kind centraal, waarbij de vader het kind niet heeft erkend en de moeder het gezag heeft. De vader verzoekt om een omgangsregeling van twee weekenden per maand, welke door de rechtbank was afgewezen. Het hof overweegt dat artikel 1:377f BW van toepassing is, waardoor het verzoek alleen kan worden afgewezen indien het belang van het kind zich tegen omgang verzet.

Het hof constateert dat hiervan geen sprake is. De moeder stelt dat de vader gemaakte afspraken niet nakomt, maar dit is onvoldoende om omgang te weigeren. Negatief gedrag van de vader jegens de moeder is niet gebleken. De verstoorde relatie tussen ouders kan de vader niet worden aangerekend. De moeder frustreert pogingen tot verbetering, waaronder mediation.

Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking en stelt het een omgangsregeling vast waarbij de vader het kind het eerste en derde weekend van de maand mag ontmoeten. Het hof benadrukt de plicht van de moeder om het kind positief te begeleiden in het contact met de vader en zo nodig hulp te zoeken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast waarbij de vader het kind twee weekenden per maand mag ontmoeten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 29 augustus 2007
Rekestnummer : 113-R-06
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-1441
[appellant],
wonende te Maassluis,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. H.J.A. Knijff,
tegen
[verweerster],
wonende te Maassluis,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de raad voor de kinderbescherming,
vestiging Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 31 januari 2007, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij deze beschikking heeft het hof de behandeling pro forma aangehouden opdat partijen zich konden wenden tot een mediator.
Nadien zijn bij het hof op 9 mei, 26 juni, 16 juli en 23 juli 2007 nadere stukken ingekomen van de zijde van de man. Op 26 juni 2007 is bij het hof een nader stuk ingekomen van de zijde van de moeder. Uit deze stukken is gebleken dat mediation niet het gewenste resultaat heeft gehad.
Bij onderscheiden brieven van 16 juli 2007 heeft het hof partijen bericht dat niet opnieuw een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Wel heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk hun standpunten met betrekking tot de omgang kenbaar te maken. Bij brief, bij het hof ingekomen op 23 juli 2007, heeft de man van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De moeder heeft hiervan afgezien.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de omgang tussen de man en [de minderjarige], geboren [in ] 2002, hierna te noemen: [de minderjarige]. De man heeft [de minderjarige] niet erkend. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige], die bij haar verblijft.
2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat tussen de man en [de minderjarige] een omgangsregeling zal gelden van twee weekeinden per maand.
3. De moeder bestrijdt het beroep.
4. In de grieven I en II, in onderlinge samenhang bezien, betoogt de man dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om hervatting van het contact, dan wel het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] heeft afgewezen. De man voert hiertoe aan dat van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW niet is gebleken. De rechtbank heeft dit miskend.
5. Het hof overweegt als volgt. Nu de man [de minderjarige] niet heeft erkend noch anderszins het juridisch ouderschap over hem heeft verkregen, is artikel 1:377f BW en niet artikel 1:377a BW van toepassing. Dit leidt ertoe dat in dit geval het verzoek van de man uitsluitend kan worden afgewezen indien het belang van [de minderjarige] zich tegen omgang verzet. Naar het oordeel van het hof is hiervan niet gebleken. De enkele stelling van de moeder dat de man gemaakte afspraken niet nakomt, hetgeen de voor [de minderjarige] noodzakelijke structuur niet ten goede komt, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Niet gebleken is dat de man gedurende de afgelopen jaren dat hij zich inzet voor omgang met [de minderjarige] negatief gedrag jegens de moeder heeft getoond. Het feit dat de relatie tussen de moeder en de man in het verleden verstoord is geraakt en verstoord is gebleven, kan de man, wat zijn rol betreft in de afgelopen jaren, niet worden aangerekend. Het is de moeder die thans pogingen om die situatie te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van mediation, frustreert.
6. Het vorenstaande betekent dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het hof een omgangsregeling zal vaststellen tussen de man en [de minderjarige]. Het hof zal bepalen dat de man [de minderjarige] bij zich mag hebben gedurende het eerste en derde weekend van iedere maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur. Het hof acht het de plicht van de moeder dat zij zich – in haar hoedanigheid van zorgzame ouder – op een positieve manier inzet om [de minderjarige] te begeleiden in het omgaan met de man, opdat ook hij een plaats in zijn leven krijgt. Indien de moeder hiertoe niet in staat is, verwacht het hof van haar dat zij zelfstandig hulp zoekt om haar daarbij te begeleiden.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
bepaalt een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige], inhoudende dat de man [de minderjarige] bij zich mag hebben gedurende het eerste en derde weekend van iedere maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Dusamos en Reinking, bijgestaan door mr. Van Elden als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2007.