ECLI:NL:GHSGR:2007:BB4662

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
975000606
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G. Oosterhof
  • G.P.A. Aler
  • F. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 SvArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige hechtenis wegens ontbreken ernstige bezwaren tegen leider CPP

In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, voormalig leider van de Communistische Partij van de Filippijnen (CPP), kon worden vastgehouden op grond van ernstige bezwaren met betrekking tot moordaanslagen in 2003 en 2004 in de Filippijnen. De verdachte verblijft sinds 1987 in Nederland en wordt verdacht van medeplegen of uitlokking van moord en poging daartoe.

Het hof heeft vastgesteld dat hoewel de verdachte een prominente rol binnen de CPP bleef vervullen, dit op zichzelf onvoldoende is om zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid vast te stellen. Er ontbraken concrete aanwijzingen die een rechtstreeks verband leggen tussen de verdachte en de moordaanslagen. De verklaringen van getuigen waren bovendien onbepaald in tijd en mogelijk politiek gekleurd, waardoor hun betrouwbaarheid twijfelachtig is.

Het hof concludeerde dat de voor voorlopige hechtenis vereiste ernstige bezwaren niet aanwezig zijn. Tevens wees het hof op de ongewisheid over de duur en omvang van het onderzoek en de mogelijkheid voor de verdediging om haar rechten te benutten. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking en wees de vordering tot gevangenhouding af.

Uitkomst: De vordering tot voorlopige hechtenis van de verdachte wordt afgewezen wegens ontbreken van ernstige bezwaren.

Uitspraak

Raadkamer
Gerechtshof te ’s-Gravenhage
Parketnummer: 09-750006-06
Gezien de akte van de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 13 september 2007 waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen
Naam [verdachte],
Geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Filippijnen),
adres [adres]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 13 september 2007, inhoudende de afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot gevangenhouding van de verdachte en de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Gezien de beschikking waarvan beroep en de stukken van het dossier.
Ter niet-openbare raadkamerzitting van 26 september 2007 zijn gehoord de advocaat-generaal mr. Van Die en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman, mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam.
De verdachte wordt verdacht van het medeplegen, dan wel uitlokken, in Nederland van de moord op slachtoffer 1 op 23 januari 2003 (feit 1) en/of slachtoffer 2 en/of slachtoffer 3 op 26 september 2004 (feit 3) en de poging daartoe op slachtoffer 4 en/of slachtoffer 5 op 23 januari 2003 (feit 2), gepleegd op de Filippijnen. De verdachte zou volgens het openbaar ministerie een invloedrijke rol hebben (gespeeld) binnen de Communistische Partij van de Filippijnen (CPP) - en binnen andere organen van die partij - en uit dien hoofde opdracht tot de hierboven vermelde feiten hebben gegeven of die feiten hebben uitgelokt.
Ernstige bezwaren
Het hof dient de vraag te beantwoorden of er - op grond van het dossier en gelet op het ter raadkamerzitting naar voren gebrachte - sprake is van ernstige bezwaren tegen de verdachte, als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij is niet ter discussie de ernst van de op de Filippijnen gepleegde moordaanslagen.
Het hof overweegt met betrekking tot die ernstige bezwaren als volgt.
De verdachte is de oprichter van de CPP en hij is in ieder geval de leider van die partij geweest tot het moment van zijn detentie op de Filippijnen in 1977, welke voortduurde tot 1986. De verdachte verblijft sinds 1987 in Nederland.
Het dossier bevat naar het oordeel van het hof bovendien talrijke aanwijzingen dat de verdachte, gedurende zijn vele jaren ‘in ballingschap’, al dan niet als voorzitter een prominente rol binnen de CPP is blijven vervullen.
Die enkele (veronderstelde) zeggenschap van de verdachte binnen de keten van de CPP, waaronder de NPA die de moorden zou hebben gepleegd, is voor het vaststellen van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de hierboven omschreven feiten in abstracto niet voldoende. Daarvoor is nodig dat er een dusdanig rechtstreeks verband wordt vastgesteld (en wettig en overtuigend bewezen) tussen de gedragingen (handelen en nalaten) van de verdachte en de op de Filippijnen gepleegde moordaanslagen, dat in rechte gesproken kan worden van daderschap in de zin van artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Naar het oordeel van het hof bevatten de voorhanden zijnde stukken echter geen enkele dusdanig concrete aanwijzing waaruit die rechtstreekse strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij de verweten gedragingen kan worden afgeleid, dat sprake zou zijn van daderschap in de zin van artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De voor toepassing van voorlopige hechtenis vereiste ernstige bezwaren tegen de verdachte acht het hof derhalve niet aanwezig.
Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de inhoud van de verklaringen van de getuigen, zoals die zich thans bij de stukken bevinden, voorzover die een belastend karakter dragen, een hoge mate van onbepaaldheid in de tijd bevatten. Het hof merkt daarbij voorts nog op dat de feiten wellicht een politieke context hebben en dat de verdachte belastende verklaringen in de Filippijnen zijn afgelegd en, mede gelet op de politieke constellatie aldaar, niet zonder meer als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
Het hof wijst er ten overvloede op dat de duur en de omvang van het onderzoek nog ongewis zijn, terwijl het daarbij ook de vraag is in hoeverre de verdediging in de loop van de procedure haar ondervragingsrechten ten volle zal kunnen geldend maken.
Het hof zal, gezien de deels andere motivering, de beschikking waarvan beroep vernietigen en de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van de verdachte - evenals de rechtbank - afwijzen.
Beschikking:
Het Hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van de verdachte af.
Aldus gedaan op 3 oktober 2007
door mr. G. Oosterhof, vice-president tevens voorzitter,
mr. G.P.A. Aler, vice-president, en mr. F. Heemskerk, raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. W.S. Korteling, griffier,
en door de voorzitter en griffier ondertekend.