ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5059

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
334-M-07
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
  • Van den Wildenberg
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 BWArt. 262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uithuisplaatsing tweeling en opdracht tot vervroegd onderzoek terugplaatsing

In deze zaak staat de uithuisplaatsing van een tweeling centraal, die momenteel bij pleegouders verblijft. De moeder en vader hebben gezamenlijk het gezag. Jeugdzorg stelt dat het hechtingsproces bij de pleegouders tot de vijfde verjaardag van de kinderen moet worden afgerond, terwijl de moeder pleit voor een eerder onderzoek naar terugplaatsing.

Het hof oordeelt dat een eerder onderzoek naar de verzorgings- en opvoedingsmogelijkheden van de moeder noodzakelijk is, evenals een beoordeling of het hechtingsproces een terugplaatsing verhindert. Het hof sluit niet uit dat de moeder inmiddels in staat is de kinderen op te voeden en hecht eraan dat het onderzoek door een onpartijdig instituut, zoals Fora te Amsterdam, wordt uitgevoerd.

Hoewel de uithuisplaatsing op dit moment nog noodzakelijk wordt geacht, beveelt het hof aan dat Jeugdzorg het onderzoek uiterlijk 1 november 2007 aanvraagt. De beschikking wordt bekrachtigd, met het oog op een afstemming in de verlengingsprocedure in januari 2008 over de voortgang en resultaten van het onderzoek.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsing en beveelt een vervroegd onderzoek naar terugplaatsing door een onpartijdig instituut.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 19 september 2007
Rekestnummer : 334-M-07
Rekestnr. rechtbank : JE RK 06-831
[appellante],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. W. Heemskerk,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,
kantoorhoudende te Middelburg,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende 1],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader;
[belanghebbende 2],
wonende te[woonplaats],
hierna te noemen: de pleegouders.
Als informant is aangemerkt:
de raad voor de kinderbescherming,
Regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,
vestiging Middelburg,
hierna te noemen: de raad.
VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 20 juni 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Van de zijde van Jeugdzorg is op 9 juli 2007 een schrijven bij het hof ingekomen, ter beantwoording van de vragen die het hof Jeugdzorg in de tussenbeschikking heeft gesteld.
Van de zijde van de moeder is bij het hof op 20 augustus 2007 een reactie op het schrijven van Jeugdzorg ingekomen.
Het hof acht zich voldoende voorgelicht om tot een beoordeling te komen.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de uithuisplaatsing van [de tweeling] die bij de pleegouders verblijft. De moeder en de vader hebben gezamenlijk het gezag over hen.
2. Jeugdzorg is van mening dat het hechtingsproces van [de tweeling] ten minste tot en met het 5e jaar bij de pleegouders dient te worden afgerond. De situatie bij de moeder maakt Jeugdzorg hieraan ondergeschikt. Jeugdzorg heeft het voornemen een herhalingsonderzoek aan te vragen eind 2008, zodat dit na de 5e verjaardag van de kinderen in 2009 zou kunnen plaatsvinden.
3. De moeder wijst er op dat Jeugdzorg de positie van de moeder onderbelicht laat. Ten aanzien van een eerdere terugkeer van de tweeling naar de moeder dan door Jeugdzorg voorzien, wordt slechts in algemene zin naar ervaringen van Jeugdzorg of naar verouderde literatuur verwezen, zonder dat op de specifieke situatie wordt ingegaan, zo meent de moeder.
4. Het hof is van oordeel dat het van belang is, dat veel eerder dan Jeugdzorg wil nader onderzoek zal worden verricht naar de vermogens van de moeder om de verzorging en opvoeding van de tweeling ter hand te nemen. Tegelijkertijd dient te worden onderzocht of het hechtingsproces van [de tweeling] zich ertegen verzet dat zij bij de moeder worden teruggeplaatst (indien het onderzoek uitwijst dat de moeder het aankan). De moeder stelt dat zij er nu klaar voor is. Het hof sluit dat geenszins uit, gelet op de bevindingen van drs. Laurijssen-Timmers. Daarnaast is uit de onderzoeken gebleken dat de kinderen in staat zijn te hechten, een proces dat reeds ten tijde dat de moeder de kinderen verzorgde en opvoedde op gang moet zijn gekomen. Indien de moeder thans weer beschikbaar is acht het hof het zeer wel mogelijk dat de kinderen haar als positieve hechtingsidentiteit zullen ervaren. Het onderzoek zal dit kunnen uitwijzen. Het hof hecht er tenslotte aan dat het onderzoek door een onpartijdig instituut zal worden verricht; te denken valt aan Fora te Amsterdam. Desalniettemin is onder deze omstandigheden de conclusie, dat op dit moment de noodzaak tot uithuisplaatsing nog altijd aanwezig is.
5. Het hof acht het gewenst dat Jeugdzorg het onderzoek dit najaar, uiterlijk 1 november 2007, aanvraagt. Het onderzoek zal vermoedelijk niet vóór afloop van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn afgerond. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen en ervan uitgaan dat de kinderrechter in het kader van de verlengingsprocedure, die in januari 2008 zal dienen, met Jeugdzorg en de moeder zal kunnen afstemmen of het onderzoek inmiddels is gestart en binnen welke termijn de resultaten daarvan bekend kunnen zijn.
6. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van den Wildenberg en Van Leuven, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2007.