ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5888
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- I.E. de Vries
- J.M. Reinking
- G.J.W. van Oven
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs schennisplegen
In deze zaak stond verdachte terecht voor schennisplegen, waarbij hem werd verweten zich op 23 maart en 18 april 2006 schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde. In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken, met daarnaast de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken uit een eerdere zaak.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd omdat er geen directe herkenning van verdachte door de aangeefsters heeft plaatsgevonden. Hierdoor kon niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat verdachte de dader was. De ontkenning van verdachte versterkte dit oordeel.
De advocaat-generaal had in hoger beroep om een werkstraf van 150 uren gevraagd, maar aangezien verdachte werd vrijgesproken, werd ook de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afgewezen. Het hof sprak verdachte vrij en vernietigde het eerdere vonnis.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.