ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8333
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Husson
- Fockema Andreae-Hartsuiker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap buitenlands wonende zoon
Een Nederlandse vader verzocht de gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap ten aanzien van zijn zoon die in het buitenland woont en de buitenlandse nationaliteit bezit. De moeder van het kind, woonachtig in Suriname, was verzoekster in hoger beroep tegen de afwijzing van dit verzoek door de rechtbank. Het hof bevestigde de afwijzing en oordeelde dat de vader zijn zoon in het buitenland kan erkennen, waardoor een familierechtelijke band ontstaat.
De moeder stelde dat het weigeren van gerechtelijke vaststelling in Nederland in strijd is met het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM Pro). Zij voerde aan dat de Nederlandse mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling een wezenlijk belang dient en niet zonder meer terzijde mag worden geschoven ten gunste van het buitenlandse recht, dat deze mogelijkheid niet kent.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling in het buitenland niet leidt tot het terzijde schuiven van het lokale recht, tenzij er sprake is van een noodtoestand die niet anders kan worden opgeheven. Deze bijzondere omstandigheden ontbraken in deze zaak. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van verboden discriminatie en dat het belang van de minderjarige onvoldoende concreet en toetsbaar was om af te wijken van het buitenlandse recht.
Daarom werd het hoger beroep van de moeder verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de in het buitenland wonende zoon.