ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8999
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- Mos-Verstraten
- Husson
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum en draagkracht kinderalimentatie na echtscheiding en faillissement
In deze zaak stond de vraag centraal vanaf welke datum de kinderalimentatie moest ingaan na de echtscheiding en hoe de draagkracht van de vader, die failliet was verklaard, moest worden beoordeeld.
De moeder vorderde dat de alimentatie met terugwerkende kracht vanaf de datum van echtscheiding zou ingaan, terwijl de rechtbank dit op een latere datum had vastgesteld. Het hof oordeelde dat de voorlopige voorziening na inschrijving van de echtscheiding haar kracht verloor, waardoor de alimentatie vanaf die datum moest worden vastgesteld om een hiaat te voorkomen.
Ten aanzien van de draagkracht stelde het hof vast dat de vader tot zijn faillissement geen draagkracht had en daarom over die periode geen alimentatie hoefde te betalen. Vanaf het moment dat hij ging samenwonen en werken, had hij onvoldoende bewijs geleverd van het ontbreken van draagkracht, waardoor de alimentatie werd vastgesteld op € 200 per maand per kind.
Daarnaast werd een vordering van de moeder tot betaling van een bedrag uit de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de vader het geld had onttrokken. Het verzoek van de moeder om inzage in de administratie werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover het de ingangsdatum van de alimentatie en de vordering uit de huwelijksvoorwaarden betrof, en bevestigde de overige onderdelen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt vastgesteld op de datum van echtscheiding, alimentatie over faillissementsperiode wordt afgewezen en de vordering uit huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd.