ECLI:NL:GHSGR:2007:BC9475

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-07/00397
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onnodig hoge invorderingskosten na vermindering aanslag

Belanghebbende was in geschil met de Inspecteur over een aanslag in de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2001. Na diverse procedures, waaronder een ambtshalve vermindering en een eerdere uitspraak van het hof, werd de zaak door de Hoge Raad terugverwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

In het geding stond de vraag centraal of belanghebbende recht had op een proceskostenvergoeding en/of schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Inspecteur, in het bijzonder voor kosten die verband hielden met de invordering van een te hoge aanslag. Belanghebbende stelde dat hem onnodig hoge kosten waren opgelegd, waaronder dwangbevelkosten, beslagkosten en kosten van de Rabobank.

Het hof oordeelde dat de nota van de adviseur niet als rechtsbijstand kon worden aangemerkt en dat de kosten daarvoor niet vergoed konden worden. Kopieerkosten vielen niet onder de vergoeding en de kosten van het dwangbevel waren na vermindering van de aanslag als niet verschuldigd aangemerkt. De beslagkosten en Rabobankkosten waren gerechtvaardigd en zouden ook zijn gemaakt indien de aanslag niet was opgelegd.

Daarom werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werden reiskosten en kosten voor een uittreksel uit het kadaster gedeeltelijk vergoed. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €41. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 december 2007.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens onnodig hoge invorderingskosten wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
eerste meervoudige belastingkamer
18 december 2007
nummer BK-07/00397
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, betreffende na te noemen aanslag.
1. Aanslag en bezwaar
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 84.000 (€ 38.118).
1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de uitspraak op bezwaar afgewezen.
2. Loop van het geding
2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Bij ambtshalve verleende vermindering van 4 januari 2005 is de aanslag vermin-derd tot een aanslag naar een premie-inkomen van ƒ 22.348
(€ 10.141). Bij uitspraak van 23 juni 2006, nr. 04/01462, heeft evenvermeld hof het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd zoals deze luidt na ambtshalve verleende vermindering van 4 januari 2005 en de vergoeding gelast van het griffierecht en de kosten van het geding van (tesamen) € 185. Op het daartegen door belang-hebbende ingestelde beroep in cassatie en het door de Minister van Financiën incidenteel ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 22 juni 2007, nr. 43.170, LJN: BA7736, de uitspraak van voornoemd hof vernietigd behoudens de beslissing omtrent de aanslag en het griffierecht en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Ge-rechtshof te 's-Gravenhage.
2.2. Partijen hebben naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad een schriftelijke reactie ingediend.
2.3. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof van belanghebben-de op 24 oktober 2007 een nader stuk ontvangen waarvan een afschrift aan de Inspecteur is gezonden. De mondelinge behande-ling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 novem-ber 2007. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door griffier een proces-verbaal opge-maakt.
3. Vaststaande feiten
In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch onder 2.1 tot en met 2.3 van zijn uitspraak vastgestelde, in cassatie niet bestreden, feiten. Voorts is in het onderhavige geding op grond van de zojuist vermelde schriftelijke uitlatingen, als tussen partijen niet meer in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij onvoldoende weersproken nog het volgende komen vast te staan:
3.1. Op 29 oktober 2004 is door de Belastingdienst ten behoeve van de betaling van de aanslag een dwangbevel uitgevaardigd dat op 11 november 2004 aan belanghebbende is betekend. De beteke-ningskosten bedroegen € 191.
3.2. Als zekerheid voor de betaling van de aanslag is op
25 november 2004 door de Belastingdienst executoriaal beslag gelegd op de woning van belanghebbende. Het beslag is tevens gelegd voor de betaling van de aanslagen in de inkomstenbelas-ting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2000 en 2001. Ter zake daarvan zijn dwangbevelen betekend op respectie-velijk 7 mei 2004 en 29 oktober 2004. Volgens het proces-verbaal van beslag bedroegen de kosten € 49.
3.3. De Rabobank heeft belanghebbende in verband met het execu-toriaal beslag € 100 aan behandelingskosten in rekening ge-bracht.
3.4. Na de ambtshalve verleende vermindering van de aanslag tot nihil zijn de betekeningskosten van € 191 als niet verschuldigd aangemerkt.
3.5. De aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksver-zekeringen voor het jaar 2001 is verminderd van € 48.397 tot
€ 10.752.
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. Na verwijzing is in geschil of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toekomt en/of een vergoeding van door hem geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de Inspecteur, welke vraag belanghebbende voor beide vergoedingen bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.
4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steu-nen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
5. Overwegingen omtrent het geschil
5.1. De Hoge Raad heeft in onderdeel 5 van zijn arrest geoor-deeld dat de nota van A-adviseur betrekking heeft op het invul-len van het aangiftebiljet en dat, aangezien deze werkzaamheden zijn verricht met het doel de aanslag buiten de procedure om te herzien, zij niet kunnen worden aangemerkt als het verlenen van rechtsbijstand en ook niet als het uitbrengen van verslag als deskundige, maar werkzaamheden van andere aard betreffen. Na cassatie is dit oordeel van de Hoge Raad onherroepelijk. De stelling van belanghebbende dat de nota tevens betrekking heeft op advieswerkzaamheden die zijn verricht in de bezwaarfase moet derhalve worden aangemerkt als een nieuwe stelling van feite-lijke aard die in een eerdere fase van de procedure had moeten worden ingenomen, en die in de verwijzingsprocedure na cassatie niet meer in behandeling kan komen. De met de werkzaamheden van A gemoeide kosten vormen derhalve geen proceskosten die op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechts-bijstand via het puntenstelsel of als kosten van een deskundige kunnen worden vergoed.
5.2. Zij kunnen evenmin op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb worden vergoed. Artikel 8:75 van Pro de Awb geeft in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht een exclusieve regeling voor de vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte proces-kosten. Een vergoeding van deze kosten kan niet op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb worden gevorderd, ook niet voor zover het proceskosten betreft die niet op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb worden vergoed of de vergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te boven gaan.
5.3. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat reis-, ver-let-, en kopieerkosten zijn gemaakt alsmede € 11 aan kosten voor een uittreksel uit het kadaster. Ten aanzien van de ver-letkosten heeft hij geen nadere opgave gedaan, zodat het Hof belanghebbende daarvoor geen vergoeding zal toekennen. Voor de reiskosten in verband met de zitting van het gerechtshof te
’s-Hertogenbosch te Tilburg en de zitting van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage te Den Haag kent het Hof een vergoeding toe volgens het bepaalde in artikel 2, lid 1, onderdeel c, van het Besluit in verbinding met artikel 11, lid 1, onderdeel c, Be-sluit tarieven in strafzaken 2003 op basis van openbaar vervoer tweede klasse, in totaal € 30. De kosten van het uittreksel van het kadaster van € 11 komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel e, van het Besluit.
5.4. Kopieerkosten vallen niet onder de kosten die volgens het Besluit kunnen worden vergoed. Gelet op de exclusiviteit van de regeling van de proceskosten kunnen zij evenmin op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb worden vergoed.
5.5. Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk van 6 februari 2006 voor het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gesteld dat hem onnodig hoge kosten in rekening zijn gebracht in verband met de invordering van de te hoge aanslag. Deze stelling heeft belang-hebbende niet aannemelijk gemaakt. De aanvankelijk in rekening gebrachte kosten voor het dwangbevel tot betaling van € 191 zijn na de ambtshalve verleende vermindering als niet verschul-digd aangemerkt zodat deze kosten uiteindelijk niet voor reke-ning van belanghebbende zijn gekomen. De in het proces-verbaal van het executoriaal beslag vermelde kosten van € 49 zijn ver-schuldigd voor het beslag op de woning en het deswege opmaken van het proces-verbaal. Het executoriaal beslag is gelegd ter verzekering van de betaling van de in 3.2 vermelde aanslagen, waaronder de onderhavige. Deze kosten zouden, in het geval de onderhavige aanslag niet was opgelegd, evenzeer zijn verschul-digd in verband met het beslag ter zake van de betaling van de andere aanslagen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrag van € 100 dat aan behandelingskosten van het beslag in rekening is gebracht door de Rabobank. Op grond van het vorenoverwogene komt het verzoek om schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.
6. Beslissing
Het Gerechtshof:
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 41 en
- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Vonk, Van Knobelsdorff en Engel. De beslissing is op 18 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.
(Postema) (Vonk)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.