ECLI:NL:GHSGR:2007:BE9567

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/00149 en 06/00150
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet waardering onroerende zakenArt. 7:15 lid 3 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenveroordeling voor door familielid verleende rechtsbijstand in belastingzaak

In deze belastingzaak stond centraal of belanghebbende aanspraak kon maken op een proceskostenveroordeling voor rechtsbijstand verleend door haar broer, die als advocaat optrad. De rechtbank had de Inspecteur veroordeeld tot betaling van proceskosten, maar het Gerechtshof vernietigde dit oordeel voor zover het de proceskosten betrof.

De Inspecteur stelde dat geen facturen of betalingsbewijzen waren overgelegd en dat daardoor niet kon worden vastgesteld dat kosten op belanghebbende drukten. Belanghebbende leverde geen bewijs van betaling of kosten aan. Het Hof oordeelde dat bijstand door een familielid die beroepsmatig wordt verleend niet automatisch uitsluit dat proceskosten worden toegekend, maar dat wel moet vaststaan dat kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of nog verschuldigd zijn.

Omdat niet was gesteld of gebleken dat kosten aan belanghebbende in rekening waren gebracht, was er geen grond voor een proceskostenvergoeding. Bovendien was niet tijdig een verzoek tot vergoeding ingediend zoals vereist volgens artikel 7:15 lid 3 Awb Pro. Het Hof vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de Inspecteur in de proceskosten werd veroordeeld en bevestigde de rest van de uitspraak.

Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de proceskostenveroordeling van de Inspecteur wegens ontbreken van bewijs dat kosten drukken op belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
eerste meervoudige belastingkamer
18 december 2007
nummers BK-06/00149 en BK-06/00150
UITSPRAAK
op de hoger beroepen van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2006, nummers WOZ 05/4093 en 05/4208, betreffende na te noemen ten aanzien van mevrouw
[belanghebbende] te [Z] genomen beschikkingen.
1. Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg
1.1. Bij beschikkingen als bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) zijn de waarden van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [a-straat 1a en a-straat 1b] te [Z] (hierna: de woningen) voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 en naar de waardepeildatum 1 januari 2003 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 300.000 respectievelijk € 245.000.
1.2. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaarschriften ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. Vervolgens heeft de Inspecteur de waarden van de woningen bij ambtshalve genomen beschikkingen verminderd tot op € 225.000 respectievelijk € 205.000. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de beschikkingen gewijzigd in die zin dat de waarden van de woningen worden vastgesteld op € 225.000 respectievelijk € 205.000, en in ieder van de zaken de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ad € 966 vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten € 322 voor de kosten in de bezwaarfase en € 644 voor de kosten in de beroepfase.
2. Loop van het geding in hoger beroep
2.1. De Inspecteur is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft verweerschriften ingediend, waarna de Inspecteur conclusies van repliek en belanghebbende conclusies van dupliek heeft genomen. 2.2. Belanghebbende heeft aan het Hof een brief, gedagtekend 26 oktober 2007, doen toekomen. De Inspecteur heeft van de inhoud van deze brief kennis kunnen nemen.
2.3. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.
3. Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:
3.1. Belanghebbende is in de onderhavige procedures bijgestaan door de advocaat en procureur mr. [A], econ.drs. kantoorhoudende in [Z] (hierna: [A]).
3.2. [A] is een broer van belanghebbende.
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende aanspraak heeft op een proceskostenveroordeling ter zake van door een derde aan haar beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
5. Conclusies van partijen
5.1. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.
5.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.
6. Overwegingen omtrent het geschil
6.1. De Inspecteur heeft in de appelschriften onder meer gesteld dat ter zake van de verleende rechtsbijstand door [A] aan belanghebbende, geen facturen en/of betalingsbewijzen zijn overgelegd. Mede gelet daarop stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat hij ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
6.2. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur niet weersproken en heeft evenmin in de verdere loop van de gedingen betalingsbewijzen en/of facturen overgelegd. Evenmin is gesteld, en zulks is ook niet gebleken, dat zij zich tegen betaling door [A] heeft laten bijstaan.
6.3. De stelling dat bij verleende rechtsbijstand door familieleden reeds op grond van de familierelatie geen sprake is van een door zakelijkheid bepaalde verhouding vindt geen steun in het recht. Bijstand door een familielid die beroepsmatig wordt verleend sluit niet bij voorbaat een proceskostenvergoeding uit. Wil een partij voor vergoeding van rechtsbijstand in aanmerking komen, dan zal moeten vaststaan dat er kosten op de belanghebbende drukken. De kosten moeten dus zijn betaald of nog zijn verschuldigd.
6.4. Gesteld noch gebleken is dat [A] kosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht of dat anderszins kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op haar drukken. Voor een proceskostenvergoeding is dan geen plaats.
6.5. Overigens dient ingevolge artikel 7:15, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek tot vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende zodanig verzoek tijdig heeft gedaan.
6.6. Op grond van het vorenoverwogene zijn de hoger beroepen gegrond.
7. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8. Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover de Inspecteur in de proceskosten is veroordeeld, en
- bevestigt de uitspraken voor het overige.
Deze uitspraak is vastgesteld door de mrs. Vonk, Savelbergh en Visser. De beslissing is op 18 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.
(Van den Bogerd)(Vonk)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
nummer BK-06/00149 en 06/00150 blz. 4/4