ECLI:NL:GHSGR:2007:BG9622
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over fictieve dienstbetrekking bij taxatiewerkzaamheden
Belanghebbende had met [A] een arbeidsovereenkomst die in juni 1995 eindigde. Daarna verrichtte [A], via zijn BV [B], taxatiewerkzaamheden voor belanghebbende. De Inspecteur stelde dat sprake was van een fictieve dienstbetrekking en legde naheffingsaanslagen en boetes op.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraak. Het hof stelde vast dat tussen partijen de intentie bestond dat na beëindiging van het dienstverband [A] als zelfstandige via zijn BV de taxaties uitvoerde. De feitelijke omstandigheden en afspraken wezen niet op een voortzetting van een dienstbetrekking.
De Inspecteur kon onvoldoende feiten aanvoeren die het tegendeel bewezen. Ook het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel behoefde geen behandeling. Het hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat de griffierechten aan belanghebbende worden vergoed.
Uitkomst: Het hof vernietigt de naheffingsaanslagen en boetes en verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond.