ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5671

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2200149707
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer aanzienlijke hoeveelheid cocaïne

De verdachte was samen met medeverdachten betrokken bij het vervoer van een stoomketel van Nederland naar Curaçao en terug, waarbij de ketel was verzwaard met lood om het gewicht gelijk te houden aan de papieren. Dit was een dekmantel voor het smokkelen van cocaïne. Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de ketel cocaïne bevatte, mede gelet op de omvang van de ketel en de hoge kosten van het transport.

De verdediging voerde aan dat de handelingen van verdachte enkel gericht waren op deelname aan een asfaltmeerproject op Curaçao, maar dit werd door het hof verworpen omdat de inschrijvingstermijn al gesloten was en de hoge kosten niet als investering konden worden gezien. Het hof stelde vast dat sprake was van medeplegen vanwege de nauwe samenwerking en taakverdeling tussen verdachte en medeverdachten.

Het hof veroordeelde de verdachte tot zes jaar gevangenisstraf, rekening houdend met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld en dat het geen professionele organisatie betrof. De straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde tien jaar. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van cocaïne.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001497-07
Parketnummer: 10-750027-06
Datum uitspraak: 3 maart 2008
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,
[detentie-adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 november 2007 en 18 februari 2008.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat - kort en zakelijk weergegeven - er aan de zijde van de verdachte in het geheel geen sprake is geweest van opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte er vanuit is gegaan dat alle handelingen van hem en zijn medeverdachten er slechts op waren gericht om in aanmerking te komen voor het zogenaamde 'asfaltmeerproject' op Curaçao.
Het hof overweegt het volgende.
Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het overige verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte samen met zijn medeverdachten [medeverdachte] en de inmiddels overleden [overleden medeverdachte], actief betrokken is geweest bij het vervoer van een stoomketel van Nederland naar Curaçao en weer terug. De verdachte is - voorafgaand aan dat transport naar Curaçao - tevens betrokken geweest bij het plaatsen van broodjes lood in de stoomketel, met in totaal ongeveer hetzelfde gewicht als de cocaïne, waarmee de stoomketel op de terugweg naar Nederland bleek te zijn gevuld. Voor het verzwaren van de ketel met het lood kan, juist voor de verdachte, die ook naar eigen zeggen de 'technische man' bij de operatie was en in 2005 eerder technische bemoeienis met een stoomketel heeft gehad, geen andere verklaring zijn dan het bewerkstelligen dat het totaalgewicht van de ketel, tijdens het transport vanuit Nederland naar Curaçao en weer terug, gelijk bleef.
Dat de verzwaring nodig zou zijn opdat de ketel hetzelfde gewicht zou hebben als op de 'papieren van de ketel' stond vermeld, zoals de verdachte heeft verklaard van [overleden medeverdachte] te hebben gehoord, is door [overleden medeverdachte] weersproken en vindt ook overigens geen steun in het dossier. Nu de verdachte direct betrokken is geweest bij het verzwaren van de ketel en er weet van heeft gehad dat de ketel vanaf Curaçao weer naar Nederland zou worden getransporteerd, is het hof van oordeel dat hij hiermee welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard - het is immers een feit van algemene bekendheid dat er vanaf Curaçao veel cocaïne wordt gesmokkeld - dat er verdovende middelen (cocaïne) in de ketel naar Nederland zouden worden vervoerd. Dat het hierbij om een substantiële hoeveelheid zou gaan, moet de verdachte op zijn minst genomen hebben kunnen vermoeden, gelet op de omvang van de ketel, het gewicht van het lood en de enorme - economische gezien onbegrijpelijke - kosten die met het vervoer ervan heen en terug waren gemoeid.
Voor wat betreft de mogelijke deelname aan het asfaltmeerproject en het verweer van de raadsman dat de handelingen van de verdachte slechts daarop waren gericht, wijst het hof erop dat uit de zich in het dossier bevindende stukken geenszins blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten mogelijk in aanmerking zouden komen voor deelname aan dit project, juist nu de inschrijvingstermijn reeds gesloten was op het moment dat de ketel op Curaçao arriveerde. Daarom is ook niet aannemelijk geworden, dat de met het vervoer gepaard gaande hoge kosten redelijkerwijs als investering voor de zakelijke toekomst kunnen worden beschouwd.
Van alleen verregaande naïviteit aan de zijde van de verdachte, zoals door de verdediging aangevoerd, kan in het licht van voormelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof geen sprake zijn.
Het hof verwerpt dan ook het verweer en gaat bij de bewezenverklaring uit van de opzettelijke invoer, minstgenomen in voorwaardelijke zin, van cocaïne.
Het hof is van oordeel dat in casu sprake is van medeplegen, gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Deze samenwerking kwam mede tot uitdrukking in het veelvuldige contact, het gezamenlijke bezoek aan Curaçao van verdachte en medeverdachte [overleden medeverdachte] en de taakverdeling zoals die ook door de verdachte is beschreven in de vorm van een 'technische man' (verdachte), een 'logistieke man'(medeverdachte [medeverdachte]) en een 'leading man'(medeverdachte [overleden medeverdachte]).
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne.
Verdachtes handelen draagt aldus ernstig bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.
Op een feit als het thans bewezenverklaarde dient te worden gereageerd met het opleggen van een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie van 5 februari 2008 niet eerder is veroordeeld.
Ook houdt het hof in verdachtes voordeel rekening met de omstandigheid dat het in het onderhavige geval niet ging om een professionele organisatie en dat niet is komen vast te staan dat de verdachte eigenaar is geweest van de inbeslaggenomen verdovende middelen.
Gelet hierop en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde vrijheidsstraf matigen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2(oud) en 10(oud) van de Opiumwet.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
6 (zes) jaren.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,
mr. S. van Dissel en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 maart 2008.