ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6537
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Labohm
- Milar
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over draagkracht man voor partner- en kinderalimentatie na echtscheiding
De man verzocht de rechtbank om de alimentatieverplichting aan zijn ex-partner en kinderen te verlagen met ingang van 1 maart 2003, vanwege een vermeende inkomensdaling. De rechtbank wijzigde de alimentatie per 24 juni 2004, maar het hof Amsterdam vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af. De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het hof 's-Gravenhage.
Het hof beoordeelde uitvoerig de financiële positie van de man over de jaren 2003 tot en met 2007. Hoewel het inkomen van de man structureel was gedaald ten opzichte van 1996, bleek zijn vermogen aanzienlijk te zijn gestegen, met een netto vermogen van meer dan €1.000.000 in 2007. Dit vermogen compenseerde ruimschoots de inkomensdaling.
De vrouw voerde aan dat het niet wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant niet doorbroken kon worden, terwijl de man stelde dat zijn inkomsten substantieel waren verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen. Het hof oordeelde dat er geen zo ingrijpende wijziging van omstandigheden was dat het niet wijzigingsbeding doorbroken kon worden.
Het hof vernietigde de beschikking van 2 maart 2005 van de rechtbank Amsterdam en wees het verzoek van de man alsnog af. Tevens werd de proceskostenverdeling aangepast. De uitspraak bevestigt dat een stijging van vermogen de draagkracht kan compenseren ondanks een daling van het inkomen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man af en bevestigt dat zijn vermogen de inkomensdaling compenseert, waardoor het niet wijzigingsbeding niet doorbroken wordt.