ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6742
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Savelbergh
- Vonk
- Mees
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste toepassing van aftrek ter voorkoming dubbele belasting op heffingskorting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de wijze waarop de Inspecteur de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toepaste op de gecombineerde heffingskorting in de inkomstenbelasting 2003. De rechtbank wees het beroep af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het geschil betrof de vraag of het bedrag van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over in Frankrijk gelegen onroerend goed eerst in mindering mocht worden gebracht op de gecombineerde heffingskorting alvorens deze heffingskorting in mindering te brengen op de berekende belasting. Belanghebbende stelde dat dit in strijd was met het belastingverdrag met Frankrijk en het EG-verdrag.
Het hof oordeelde dat de wettelijke berekeningswijze conform artikel 2.7 Wet IB 2001 correct is en niet in strijd met het verdrag of internationaal recht. De heffingskorting maakt geen deel uit van de grondslag van de belastingheffing, maar betreft de tariefstructuur, waarover de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft. Er is geen ongelijke fiscale behandeling tussen situaties met binnenlands of buitenlands onroerend goed.
Het hof concludeerde dat de regeling een redelijke grondslag heeft en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 4 maart 2008 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting terecht vóór de heffingskorting wordt toegepast en verklaart het hoger beroep ongegrond.