ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7246
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Mos-Verstraten
- Fockema Andreae-Hartsuiker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op omgang biologische vader zonder nauwe persoonlijke betrekking
In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het hoger beroep behandeld van een man die als biologische vader een omgangsregeling met zijn kind vordert. De man stelde dat hij tussen december 2000 en april/mei 2001 met de moeder had samengewoond en een bijdrage had geleverd aan de verzorging van het kind. De vrouw betwistte dit en stelde dat er slechts drie keer contact was geweest en geen sprake was van samenwoning of een nauwe persoonlijke band.
Het hof heeft de verklaringen van beide partijen en getuigen zorgvuldig gewogen. De verklaringen van de vrouw en de verslagen van het kinderdagverblijf wezen niet op enige betrokkenheid van de man bij het kind, anders dan de incidentele momenten die de vrouw noemde. De verklaring van de psychiater van de vrouw werd door het hof niet als waardevol beschouwd omdat deze gebaseerd was op horen zeggen.
Het hof concludeerde dat de man niet heeft bewezen dat hij in de relevante periode met de vrouw heeft samengewoond en dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de verzorging en opvoeding van het kind. Daarmee ontbraken de bijkomende omstandigheden die volgens artikel 1:377f BW vereist zijn om een recht op omgang te verkrijgen. Ook is geen sprake van een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
Het hof verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang en bekrachtigde de bestreden beschikking. De procedure omvatte uitgebreide getuigenverhoren en contra-enquête, waarbij het hof de stellingen van de man niet voldoende bewezen achtte.
Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang met het kind en bekrachtigt de bestreden beschikking.