ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5396
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Bouritius
- Labohm
- Van der Zanden
- Rechtspraak.nl
Verdeling van huwelijksgemeenschap en schuldenlast na echtscheiding
In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de daarbij behorende schulden tussen partijen centraal na hun echtscheiding. De vrouw verzocht het hof om de volledige schuldenlast aan de man toe te wijzen, stellende dat de schulden grotendeels vóór het huwelijk zijn aangegaan en op bijzondere wijze aan de man verknocht zijn. De man verzet zich hiertegen en stelt dat alle schulden ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding zijn aangegaan en dat de vrouw er mede van heeft geprofiteerd.
Het hof gaat uit van de wettelijke regel dat schulden die vóór of tijdens het huwelijk zijn ontstaan, deel uitmaken van de gemeenschap, tenzij bijzondere omstandigheden aantonen dat schulden op een bijzondere wijze aan één echtgenoot zijn verknocht. Het hof oordeelt dat de schulden niet als zodanig verknocht zijn aan de man en bevestigt de verdeling van de schuldenlast zoals vastgesteld door de rechtbank.
Daarnaast is een schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) ter hoogte van € 5.000,- in geschil, die niet eerder in de verdeling was betrokken. Het hof beslist dat ook deze schuld in de gemeenschap valt en door partijen ieder voor de helft moet worden gedragen, ondanks dat deze voortkomt uit een strafbaar feit van de man. De redelijkheid en billijkheid staan niet in de weg aan deze verdeling, mede omdat het voordeel uit het delict destijds ook in de gemeenschap viel.
Het hof bekrachtigt daarmee de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof bevestigt de verdeling van de schulden en bepaalt dat de man en vrouw ieder de helft van de CJIB-schuld dragen.