ECLI:NL:GHSGR:2008:BD8769

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.012.622/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287 lid 2 FwArt. 292 lid 3 FwArt. 360 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing schuldsaneringsregeling bevestigd

Appellanten hebben bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling, waarbij zij een schuldenlast van ruim €76.400,-- opgaven en verklaarden geen minnelijk traject te zijn gestart. De rechtbank verklaarde het verzoek niet ontvankelijk omdat het minnelijk traject ontbrak, zoals vereist volgens artikel 285 en Pro 287 Faillissementswet.

Appellanten stelden dat de Stadsbank wel een minnelijk traject was gestart, maar dat dit was mislukt omdat er geen overeenstemming met de crediteuren werd bereikt. Dit betoog werd niet onderbouwd met voldoende bewijs. Het hof overwoog dat het gesloten stelsel van de Faillissementswet geen hoger beroep toestaat tegen niet-ontvankelijkheidsverklaringen op grond van artikel 287 lid 2 Fw Pro, tenzij sprake is van fundamentele schendingen of onjuiste toepassing van de wet.

Het hof concludeerde dat appellanten niet ontvankelijk zijn in hun hoger beroep omdat zij geen gronden hadden aangevoerd die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen. Het beroep werd daarom afgewezen. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van het appelverbod bij niet-ontvankelijkheidsverklaringen in schuldsaneringszaken.

Uitkomst: Appellanten worden niet ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun verzoek tot schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.012.622/01
Rekestnummer (oud) : R08/192
Rekestnummers Rechtbank : 08.208 en 08.209
arrest van de tweede civiele kamer d.d. 24 juni 2008
inzake
1. [APPELLANT],
2. [APPELLANTE],
beiden wonende te [Woonplaats],
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [Appellant] respectievelijk [Appellante], en tezamen: [Appellanten],
procureur: mr. J.A.M. Koorn-Harkema.
Het geding
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 februari 2008, hebben [Appellanten] tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 6 februari 2008, waarbij hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet ontvankelijk is verklaard. Zij verzoeken het hof het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Op 21 maart 2008 zijn aanvullende stukken ontvangen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Verschenen zijn: [Appellant], bijgestaan door zijn procureur. [Appellante] is niet verschenen.
De beoordeling van het hoger beroep
1. [Appellanten] hebben op 21 januari 2008 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw Pro is sprake van een totale schuldenlast van ruim € 76.400,--. De verklaring vermeldt bij de vraag “Minnelijk traject gestart?”: “Nee,…”.
2. De rechtbank heeft [Appellanten] in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet ontvankelijk verklaard daar de verklaringen als bedoeld in artikel 285 Fw Pro niet volledig zijn, aangezien er geen minnelijk traject is opgestart.
3. De grieven en argumenten van [Appellanten] kunnen als volgt worden samengevat. [Appellanten] betwisten dat er geen minnelijk traject door hen is opgestart. Dit is gebeurd door de Stadsbank te [Plaatsnaam], maar deze heeft geen overeenstemming kunnen bereiken met de crediteuren en daarmee is het minnelijk traject mislukt.
4. [Appellanten] hebben zich niet gerealiseerd dat men van een niet-ontvankelijkheidverklaring niet in hoger beroep kunnen. [Appellante] heeft op 25 juni 2008 een afspraak met een psychiater. [Appellanten] hebben in 2004 ook een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling gedaan. Verder betaalt de stadsbank de vaste lasten en krijgen [Appellanten] een vast budget per week.
5. Alvorens het hof tot inhoudelijk behandeling van het beroepschrift van [Appellanten] kan overgaan, dient de vraag beantwoord te worden of [Appellanten] ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde beroep. Hierbij neemt het hof het volgende in overweging.
Uit artikel 360 Fw Pro volgt dat tegen beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van titel III Fw gegeven, er geen hogere voorziening openstaat, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet. Uit artikel 292 lid 3 Fw Pro volgt dat de schuldenaar tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep kan komen. Het gesloten stelsel van de Faillissementswet biedt echter niet de mogelijkheid om wanneer de rechtbank op grond van artikel 287 lid 2 Fw Pro de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken, van dit vonnis in hoger beroep te komen. Doorbreking van het appelverbod is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan strenge regels gebonden. De mogelijkheid daartoe wordt slechts aangenomen wanneer het gaat om een schending van een zo fundamentele rechtsregel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken óf als de rechtbank met haar beslissing buiten het toepassingsgebied van art. 287 lid 2 Fw Pro is getreden dan wel dit artikel ten onrechte heeft toegepast.
6. [Appellanten] hebben hun stelling dat de Stadsbank te [Plaatsnaam] wel een minnelijk traject is gestart niet onderbouwd. Niet aannemelijk is derhalve dat de verklaring die met hun verzoek tot toepassing van het schuldsaneringsregeling bij de rechtbank is ingediend ten onrechte vermeld dat geen minnelijk traject is gestart. De rechtbank heeft mitsdien op juiste groenden artikel 287 lid 2 Fw Pro toegepast.
[Appellanten] hebben geen redenen aangevoerd waarom zij ondanks het appelverbod in hun beroep tegen het vonnis van de rechtbank ontvankelijk verklaard moeten te worden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [Appellanten] niet ontvankelijk verklaard dienen te worden in het door hen ingestelde beroep.
De beslissing
Het hof:
verklaart [Appellanten] niet ontvankelijk in hun hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs K.I. de Jong, H.P.Ch. van Dijk en A.G. Beets, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2008 in aanwezigheid van de griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest getekend door H.P.Ch van Dijk.