ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9516
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- van Leuven
- Mos-Verstraten
- van Montfoort
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid grootmoeder als belanghebbende in erkenningsprocedure minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep van de grootmoeder (van moederszijde), tevens voogd van een minderjarige geboren in 2003, tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die haar niet-ontvankelijk verklaarde in haar bezwaar tegen vervangende toestemming tot erkenning van het kind door de biologische vader.
De moeder van de minderjarige is in 2006 overleden en de minderjarige verblijft sindsdien bij de grootmoeder, die door de kantonrechter tot voogd is benoemd. De grootmoeder voerde aan dat zij als feitelijke verzorger en voogd belanghebbende is in de erkenningsprocedure, terwijl de man betwistte dat zij belanghebbende is en de rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaarde.
Het hof oordeelde dat de grootmoeder als voogd de minderjarige vertegenwoordigt in burgerlijke handelingen op grond van artikel 1:337 BW Pro en daarom ontvankelijk is als belanghebbende. Omdat partijen niet verschenen waren bij de mondelinge behandeling, stelde het hof de zaak aan en gelastte een nieuwe mondelinge behandeling waarbij de belangen van alle betrokkenen, waaronder het kind, de grootmoeder en de man, zorgvuldig zullen worden meegewogen.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de grootmoeder ontvankelijk verklaard in haar beroep. Partijen werden verzocht hun beschikbaarheid door te geven voor een nieuwe zittingsdatum.
Uitkomst: Het hof verklaart de grootmoeder ontvankelijk in haar hoger beroep en gelast een nieuwe mondelinge behandeling.